Indiase vakbond zucht onder vrije markt

NEW DELHI, 7 NOV. Wanneer in India een vakbond de tijd gekomen achtte voor een loonsverhoging, sloten de werknemers de directeur van hun bedrijf tot voor kort eenvoudig net zo lang op in zijn kamer tot de wanhopige man met de eisen van zijn ondergeschikten akkoord ging. Niemand die de werknemers bij toepassing van deze techniek, die bekend staat als gherao, ook maar een haar krenkte.

In het besef dat hun positie de afgelopen jaren minder onaantastbaar is geworden, bedienen de vakbonden zich de laatste tijd echter bewust minder van zulke acties. “We zitten in een overgangsfase”, constateert Rajiv Ranjan, die als onderzoeker is verbonden aan het Indian National Trade Union Congress (INTUC), met zijn zes miljoen leden een van de grootste bonden van het land.

De juistheid van Ranjans woorden blijkt uit de diepe kloof tussen zijn eigen tamelijk pragmatische standpunten en het statuut van de Intuc. In dat statuut heet het nog dat een van de voornaamste doelstellingen van de bond het afschaffen van het profijtbeginsel in de samenleving is en “het tot nationaal eigendom maken van de industrie”.

Zulke naar ouderwets socialisme riekende taal zal men uit de mond van Ranjan niet gauw meer horen. “Het gaat er niet om of een bedrijf in handen van de overheid is of van particulieren”, zegt hij in het bescheiden Intuc-kantoor in New Delhi, “maar of zo'n bedrijf doelmatig en winstgevend is. Wij zijn niet per se tegen particuliere bedrijven en ook niet tegen multinationale ondernemingen.”

Dit wil niet zeggen dat Ranjan en zijn collega's voorstander zijn van privatisering. “Wat is er op tegen wanneer bedrijven in handen van de overheid verkeren en goed draaien”, vraagt Ranjan. “Vooral in de infrastructuur kunnen staatsbedrijven heel nuttig zijn.”

De meer gematigde houding van de bonden heeft alles te maken met de economische liberalisering die de regering van premier Narasimha Rao en diens minister van financiën, Manmohan Singh, sinds 1991 hebben doorgevoerd in India. De economie is daardoor opener geworden en er is veel meer ruimte voor concurrentie dan voorheen, zowel uit eigen land als van buiten.

Nu de Indiase werknemers de hete adem van de rest van de wereld in hun nek voelen, is de bewegingsvrijheid voor de vakvereniging aanmerkelijk verminderd. “We hebben de laatste tijd al heel wat ingeleverd”, geeft Ranjan toe. “We hebben hier en daar een bevriezing van het loon aanvaard en nemen genoegen met minder goede secundaire arbeidsvoorwaarden. Het behoud van werk en het voortbestaan van het bedrijf staan voor ons nu voorop.”

De Indiase vakbonden vertegenwoordigen ondanks hun circa twintig miljoen leden maar een zeer gering deel van werkend India. Hoewel er geen betrouwbare cijfers beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt in het reusachtige land met zijn meer dan 900 miljoen inwoners, is duidelijk dat slechts zo'n vijf procent van de werkenden lid van een bond is.

De bonden zelf zijn de eersten om toe te geven dat ze met name op het platteland nauwelijks aanhang genieten. “Het platteland verkeert nog in een semi-feodale verdovingstoestand”, vindt Ranjan. “De landheren en de ambtenaren, die onder één hoedje met elkaar spelen, controleren de zaken volledig. Als ik bij voorbeeld in de straatarme deelstaat waar ik vandaan kom, Bihar, zou proberen de landarbeiders te organiseren, zou ik direct voor een terrorist worden uitgemaakt en worden verdreven of uit de weg geruimd.”

Sommigen voegen hier aan toe dat er ook nog een andere, voor de bonden minder vleiende reden is voor de geringe vakbondsactiviteit op het platteland: de meeste medewerkers hebben er gewoon geen zin in hun betrekkelijk comfortabele bestaan in de steden te verwisselen voor een moeizaam, armoedig bestaan in de dorpen, ook al woont nog driekwart van de Indiase werkenden op het platteland.

De meeste grote bonden zijn geaffilieerd met een politieke partij. De Intuc staat het dichtst bij de regerende Congrespartij, terwijl de Bharatiya Mazdoor Sangh (BMS), die ongeveer evenveel leden telt als de Intuc, op de koers van de grootste oppositiepartij, de hindoeïstische Bharatiya Janata Party (BJP), zit.

Machtig in de vakbondswereld zijn vanouds ook de Centre of Indian Trade Unions (CITU) en de All India Trade Union Congress (AITUC), elk met een ledenbestand dat zo rond de drie miljoen schommelt. De CITU onderhoudt nauwe betrekkingen met de Communistische Partij van India (Marxistisch) en de AITUC met de reguliere communistische partij. De beide laatste bonden zijn doorgaans het radicaalst en ook het meest gepolitiseerd.

De overgrote meerderheid van de vakbondsleden bevindt zich nog altijd in de steden, vooral bij de staatsbedrijven. Door de liberalisering zijn juist die echter het meest in de verdrukking geraakt, omdat ze niet gewend waren zonder protectie van de regering te opereren. Van de 216 grote ondenemingen in handen van de centrale overheid draaien er op het ogenblik 79 met fors verlies. Daarnaast zijn er nog honderden ondernemingen in handen van de deelstaten.

Hoewel sommige vakbondsmensen voor een herinvoering van protectie pleiten, beseffen anderen dat die tijd voorlopig voorbij is. “Het marktmechanisme in de hele wereld beleeft een hausse”, stelt Ranjan met enige spijt in zijn stem vast. Daarom moeten de vakbonden volgens hem het onvermijdelijke aanvaarden.

Met het oog daarop zijn er voor een aantal sectoren commissie's ingesteld met vertegenwoordigers van de regering, het management en de werknemers. Bij dertien bedrijven is men er met vereende krachten in geslaagd ze weer rendabel te maken. Het ging daarbij echter om ondernemingen die in een sector opereerden met voldoende groeimogelijkheden.

Om de onvermijdelijke aanpassing van het bedrijfsleven te vergemakkelijken is er door de regering een zogeheten Nationaal Vernieuwingsfonds opgezet. Dit maakt het mogelijk voor overbodige werknemers om vervroegd met pensioen te gaan. Daarnaast is de bedoeling dat met gelden uit dit fonds werknemers worden herschoold, maar tot woede van de INTUC is van dat laatste tot dusverre niets terechtgekomen.

Werknemers ontslaan blijft een uiterst gevoelig onderwerp in India en menige buitenlandse investeerder schrikt er ondanks de lage lonen nog altijd voor terug een fabriek in India op te zetten omdat hij niet vrijelijk mensen kan ontslaan, hoe lui of incompetent die ook zijn. De situatie bij grote bedrijven en in de ambtenarij vormt een schrijnend contrast met de volkomen onbelemmerde manier waarop tientallen miljoenen mensen in de ongeorganiseerde sector van de ene op de andere dag zonder compensatie op straat kunnen worden gezet.

Ook Ranjan wil vasthouden aan het beginsel dat geen bedrijf zijn werknemers mag ontslaan tenzij er alternatieve werkgelegenheid voor hen is. “De Amerikaanse formule van hire-fire wijzen wij af.” Wel vindt hij dat de overheid het makkelijker moet maken werknemers die op de ene plaats overbodig zijn elders aan het werk komen.

Ondanks aandrang uit het buitenland met een meer flexibele wettelijke ontslagprocedure voor de dag te komen, blijft de regering dit gevoelige onderwerp keer op keer voor zich uitschuiven zonder tot beslissingen te komen. De politieke leiders beseffen maar al te goed dat er grenzen zijn aan het nieuwe denken binnen de vakbonden. In de wetenschap dat er uiterlijk volgend voorjaar verkiezingen moeten worden gehouden, halen ze zich liever niet de gram van de nog altijd invloedrijke bonden op hun hals.