Ik klop voor ik bij de dode binnen stap

Mijn ontmoeting met Iwan Nectar (42) vindt plaats in zijn ontvangstkamertje in het hoofdstedelijke AMC. Nectar, een fors gebouwde Surinamer in doktersjas, is obductie-assistent van beroep en snijdt zodoende dagelijks in stoffelijke overschotten. Toch maakt hij een opgewekte indruk. De schedellichting, die hij vlak voor onze ontmoeting heeft verricht, is hem niet aan te zien.

Hij zegt alert te blijven op de specifieke risico's van zijn vak. “Nogal wat lichamen die ik hier behandel zijn haarden van allerlei virussen en bacteriën”, verklaart hij. “Vooral voor hepatitis B en C moet je uitkijken. Als je je snijdt, loop je zoiets heel makkelijk op. Je moet dan ook altijd van je af snijden. En ervoor zorgen dat je zo veel mogelijk het kraakbeen raakt, want vooral opspringende botsplinters zorgen voor gevaar.”

Behalve ontleden en het definitief vaststellen van de doodsoorzaak, rust op Nectar ook de taak om de overledene op te knappen. Hij brengt ingewanden terug op de oorspronkelijke plek, naait insnijdingen dicht en camoufleert oneffenheden. Ook stopt hij diverse lichaamsopeningen af met een hiervoor speciaal ontwikkelde spray. Daarna wast hij het lichaam en smeert het tenslotte in met aangenaam geurende oliën. Met name dit reconstructiewerk is volgens Nectar cruciaal.

“Met het oog op het laatste afscheid van de nabestaanden, wil ik dat de overledene er zo gaaf mogelijk uitziet. Gezwellen verwijder ik volledig uit het lichaam en ook zorg ik ervoor dat al het gezonde weefsel op de oorspronkelijke plaats terugkomt. Ik zal ook nooit een linkerlong met een rechterlong verwisselen of zomaar stukjes weefsel in de buikholte achterlaten. Als het lukt om een overledene echt goed op te knappen, zie je hoe een gespannen lichaam uiteindelijk in een vredige ontspannen toestand terechtkomt.”

Behalve uit een cosmetisch goed resultaat, put Nectar ook kracht uit zijn geloof in het hiernamaals. Geestdriftig vertelt hij over Winti-feesten die in Surinaamse kringen na een sterfgeval worden gehouden. “Tijdens rituele dansen treedt op een zeker moment de geest van de overledene in het lichaam van een van de feestgangers, of dat nu een man, vrouw of een kind is. Ik heb zelf meegemaakt hoe een jonge vrouw bezeten raakte van een overleden oudere man. Ze praatte plotseling met dezelfde stem als de dode en begon ook - geheel in zijn stijl - grote hoeveelheden hete pepers naar binnen te werken. Tijdens mijn werkzaamheden houd ik daarom rekening met de aanwezigheid van geesten, al is er niks te zien of te horen. Voordat ik de opbaarruimte binnenstap, klop ik altijd driemaal op de deur. Ten teken dat ik eraan kom.”

Er overkomt Nectar wel meer wonderlijks. Op een avond werd bij hem thuis driemaal kort achterelkaar aangebeld. Er bleek niemand aan de deur te zijn, zij het dat er even een schim zichtbaar was die in de verte op de buurman leek. Het voorval kreeg pas de volgende dag betekenis, toen Nectar op de bewuste buurman sectie moest verrichten. De man bleek op hetzelfde tijdstip te zijn overleden als waarop de avond ervoor werd aangebeld. “Je moet bij dat soort zaken niet te veel stilstaan”, zegt Nectar. “Maar het geeft wel aan dat er méér is rond de dood dan we nu weten.”

Hoewel hij door de jaren gelouterd is - zijn eerste sectie was in 1973 - gaat niet elk karwei hem even makkelijk af. “Ik heb twee keer sectie moeten verrichten op een zwangere vrouw. Dat vond ik zulke trieste gevallen . . . Per jaar komen hier zo'n 850 overledenen binnen en op zo'n 400 daarvan wordt sectie verricht. Sta je geestelijk niet sterk in je schoenen, dan red je het niet. Ik heb dat al meegemaakt: je ziet ze een halfjaar stoer doen, maar daarna ineens volledig in elkaar klappen.”

Tot besluit geeft Nectar nog een rondleiding langs de verschillende afdelingen van het mortuarium. Zo betreden we de koelcel, waar in de stilte een constante temperatuur van 4 à 5 graden Celsius heerst. In de ruimte bevindt zich één lichaam dat onder een smetteloos wit laken ligt opgebaard. Aan de voet van de brancard staan twee plastic bakken die bedoeld zijn om overtollig weefsel in te deponeren. Niet ver van de koelcel bevindt zich de rouwkamer. Een ruimte met zware gordijnen waar de nabestaanden worden opgevangen en al dan niet de kans krijgen om een laatste afscheid van de overledene te nemen. “Daarmee stuit ik wel eens op problemen. In sommige gevallen, bijvoorbeeld na een auto-ongeluk, ziet de overledene er zo beschadigd uit dat ik de nabestaanden zo'n laatste afscheid niet wil aandoen. Het gebeurt vaak dat ze dan protesteren en de overledene tòch willen zien. In zo'n geval vraag ik één van hen, meestal de oudste, om in zijn eentje te gaan kijken en daarna voor de anderen te beslissen. Meestal blijft het dan bij dat kijkje van die ene persoon.”