ERNEST GELLNER 1926-1995; Minzaam doch dodelijk

Ernest Gellner was 69 jaar, toen een fatale hartaanval hem dit weekeinde in Praag trof, maar in intellectueel opzicht was deze briljante antropoloog-socioloog-filosoof op het toppunt van zijn kunnen. In Praag gaf hij aan de nieuwe, internationaal opgezette Central European University leiding aan een Centrum voor de bestudering van nationalisme, een terrein waarover hij, als geen ander, diepgaande en steeds provocatieve inzichten te berde bracht.

Gellner, die voor het Oosteuropese avontuur zijn betrekking voor het leven als hoogleraar (fellow) antropologie in Cambridge vaarwel had gezegd, gedijde duidelijk in Praag, de stad waaruit de Tsjechisch-joodse ouders uit wie hij in 1927 in Parijs was geboren, afkomstig waren. Er verschenen de laatste jaren steeds meer artikelen en boeken van zijn hand, waarin hij - behalve over nationalisme - zijn licht liet schijnen over nog een keur van andere onderwerpen: het naar zijn smaak verwerpelijke cultuur-relativisme der postmoderne filosofen, de goede gronden van het islamitisch 'fundamentalisme', de verraderlijke woordkraam der psycho-analytici. De toon van deze beschouwingen was steeds minzaam, maar ze waren voor de intellectuele tegenstander dodelijk, en ook zo bedoeld.

Want de geleerde homo universalis was tegelijkertijd een hoogst leesbare ruziemaker. De ganse denkende gemeenschap zag het moslim-fundamentalisme als een anachronistische herleving van achterlijke religieuze beleving uit de agrarische maatschappij? Gellner liet zien dat het net andersom was: het fundamentalisme is de overwinning van de high culture der islamitische schriftgeleerden uit de stad op de meer rekkelijke religieuze opvattingen zoals die in de moslim-wereld op het platteland, met zijn regionale, aan rangen en standen gebonden cultuur overheersten. Verre van achterlijk, is het fundamentalisme juist de ideologie van de moderne samenleving, meende Gellner: het fundamentalisme verschaft de betrokken samenlevingen een breed gedragen ideologie, die goed van pas komt in een wereld van toenemende sociale mobiliteit, en verval van kasten en standen. Gellner voorspelde deze moderne ideologie dan ook een grote toekomst, en gaf degenen in het Westen die hopen op een proces van secularisering in de islamitische wereld - naar voorbeeld van de processen die zich in de christelijke wereld voltrekken - weinig hoop.

Gellner was al in de jaren vijftig tot deze inzichten gekomen, toen hij achtereenvolgens sociologie en wijsbegeerte doceerde aan de London School of Economics (vanaf 1962 als hoogleraar) en regelmatig veldwerk deed in Marokko. Voordat hij in 1984 hoogleraar antropologie werd in Cambridge, verscheen in '83 zijn vermoedelijk bekendste werk, Nations and Nationalism.

Daarin betoogde hij, zoals hij dat later voor het fundamentalisme zou doen, dat het nationalisme in de christelijke landen de moderne ideologie bij uitstek is, de ideologie van de overgang van moderne naar agrarische samenleving. Wie op grond van deze inzichten in hem wellicht een pleitbezorger zou willen zien van de nationalistische bekrompenheid of bloedvergieten, kwam echter bedrogen uit: Gellner was de eerste om toe te geven, welke verwoestingen het nationalisme wel niet had aangericht.

Enige voldoening over deze intellectuele paradox kon hem niet gezegd worden. Zijn gevoel voor paradox bleek ook uit de grondige studie die hij jarenlang maakte van de antropologie-beoefening in de Sovjet-Unie - als er één veld van wetenschappelijk onderzoek was dat geheel door ideologische beperkingen werd lamgelegd was dat het wel. Gellner schreef naar aanleiding van zijn Moskouse ervaringen een hilarisch-geestig stuk over een denkbeeldig land 'Vodkabuzia'. In een sfeer van ideologisch verval na decennia van terreur en genocide, houden geleerden zich met niets anders bezig dan intrigeren en drinken, en heeft iedereen vreselijk veel pret, de bezoekende geleerde uit het Westen incluis.

Door een gewrichtsaandoening was Gellner al vele jaren mank. Door welhaast koket gebruik van de wandelstok wist hij echter zelfs deze handicap nog in te zetten voor de beeldvorming van de grote, een tikje zonderlinge geleerde die hij was.