De Palestijnen in de Gazastrook waren stil, doodstil

GAZA, 7 NOV. Gistermiddag om kwart voor twee werd het ineens doodstil in Gaza. Normaal doet de herrie van klopboren, betonmolens en Arabische radiozenders de bevolking tot zonsondergang horen en zien vergaan. Maar gisteren kon je op klaarlichte dag, net als vroeger, de zee weer horen ruisen. “We gaan naar huis,” zei een bouwvakker die bezig was een extra verdieping op het huis van zijn oom te zetten. “We gaan naar de begrafenis van Rabin kijken.”

De hele middag zaten de Palestijnen aan de televisie gekluisterd. Ze zapten van het ene Israelische net naar het andere om niets te missen van de toespraken van de staatshoofden in Jeruzalem, het emotionele vaarwel van Rabins kleindochter en de eindeloze condoleance-sessie daarna die in zijn geheel werd uitgezonden. Een groenteboer in Gaza-stad had de luiken voor zijn winkel op een kier gezet en zat met zijn broer tussen de appels naar een zwart-wit-tv'tje te kijken. Later kwamen er nog vier Palestijnen bij, die thuis niet meer konden kijken omdat er in hun wijk een stroomstoring was. Zwijgend zaten ze voor het toestel. Geen grappen, geen ad-remme opmerkingen, zoals anders. Steeds als de beelden van de jonge moordenaar van Rabin werd herhaald, mompelde de groenteboer: “God zij dank dat hij geen Palestijn was.” Dan antwoordden de anderen in koor: “God zij dank, de dader was een jood.”

Doorgaans kunnen Palestijnen goed omgaan met calamiteiten. Het is het afgelopen jaar vaak voorgekomen dat mensen tijdens het eten het bericht kregen dat een Palestijnse zelfmoordenaar 20 joden had opgeblazen. Meestal hebben ze het er dan even over en gaan dan laconiek door met eten. Ze weten precies welke sancties er op staan: de Gazastrook wordt weer afgesloten, er zullen weer nauwelijks kranten zijn, geen verse melk en geen post.

Maar met de dood van Rabin is het anders. Het nieuws was hier nog niet doorgedrongen of het telefoonnet raakte overbelast. Massa's trokken de straat op. In het nieuwe 'Noorwegen-Park', een klein groen lustoord met schommels en klimrekken voor kinderen, stonden mensen tot diep in de nacht te praten over de moord en de gevolgen voor het vredesproces. Hun gezichten stonden bezorgd. “Ik keek naar CNN,” zei een Palestijn, “en ineens verscheen de tekst: Breaking News. Mijn eerste reactie was: Arafat is vermoord. Ik schrok me rot. Toen ik hoorde dat het Rabin was, raakte ik pas echt in paniek.”

PLO-leider Arafat kondigde na de moord een demonstratieverbod af. Zaterdag, voor de aanslag, had de fundamentalistische Islamitische Jihad een betoging gehouden tegen de vrede en tegen Israel. Arafat wilde niet dat Jihad (of een andere groepering) weer de straat op zou gaan om de moord op Rabin te 'vieren'. Maar zijn angst was ongegrond. Anders dan in Libanon, waar Palestijnen net als tijdens de Golfoorlog juichend het dak opgingen om Amerikaanse en Israelische vlaggen te verbranden, zijn er weinig Gazanen die iets van vreugde voelen. “In Libanon,” zei Aymen Abu Naser, een boer in Gaza, “zijn ze nog in het stadium dat de vlag het belangrijkste is. Voor hen betekent de vlag “anti-Israel”. Wij mogen de vlag nu zo vaak zwaaien als we willen. Dus wij zijn realistischer geworden.”

Tot nu toe is de vrede voor de Palestijnen moeilijk geweest. Vroeger konden ze onbeperkt reizen. Dat is afgelopen. Gaza is een gevangenis met een hoge muur er omheen, bewaakt door Israelische cipiers. Zakenlieden zagen hun handel over de kop gaan, arbeiders verloren hun baan in Israel. Allemaal gaven ze Rabin de schuld. Rabin, zeiden ze dan, speelt kat en muis met ons onder het mom van vrede. Voor hen was hij, Nobelprijs of niet, het oertype van de bikkelharde joodse generaal. Als de Palestijnen eenmaal op hem aan het schelden waren, dwaalden ze meestal dromerig af naar het verleden, toen hun families nog huizen bezaten in Haifa of Ashkelon. Het ophalen van die memoires was voor de Palestijnen een manier om met de frustraties van het heden te leven. Maar nu Rabin dood is, praten ze niet meer over vroeger. Ze hebben het over de toekomst. “Het is net als toen Sadat werd vermoord”, zei Umm Ahmed, een Egyptische die met een Palestijn is getrouwd, “wij staan voor een zwart gat. We weten niet hoe het verder moet.”

Rabin, voorheen de schrik van de Palestijnen, voorheen de botte boeman, wordt niet alleen vergeleken met de Egyptische president Sadat, die in 1981 door islamieten werd vermoord nadat hij vrede met Israel had gesloten. Hij is zelfs al in één adem genoemd met een andere Arabische martelaar: Abu Jihad, de PLO-topman die door de Israelische veiligheidsdienst in Tunis werd vermoord. “Toen dachten we ook, that's it,” zei een Palestijn. “Toen wisten we ook niet meer wat we moesten.” Elk jaar op de dag van de moord op Abu Jihad hangt Gaza vol met zijn portret. Dat Rabin nu door sommigen wordt vergeleken met deze strijder tegen Israel, is een eerbetoon dat nog geen enkele jood - en zeker geen staatsman - ooit ten deel gevallen is.

President Clinton zei tijdens de begrafenis dat Rabin een “martelaar van de vrede” is. Dat spreekt veel Palestijnen aan, hoe hard ze Rabin tegelijkertijd ook blijven vervloeken. Een zakenman, die vanmorgen wéér naar de herhalingen van de plechtigheden van de vorige dag zat te kijken, was compleet in de war. Hij zei: “Rabin is een klootzak en een held. Hij heeft me van mijn waardigheid beroofd. Al maanden mag ik Gaza niet uit. Mijn handel is kapot. Ik leef van mijn spaargeld. Nu is Gaza weer dicht, en God weet voor hoe lang. Is dit vrede? Toch vind ik het erg dat hij vermoord is. Bij Rabin wist je dat je altijd minder kreeg dan waar je om vroeg. Wij willen de Westelijke Jordaanoever, en we kregen van hem maar een stukje. Maar zonder hem weet ik niet of we nog ìets krijgen.”