Bij de dood van Sisyphus

Op 2 november overleed, 98 jaar oud, mr. Jan Huijts, hoofdredacteur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant in de bezettingsjaren. In die functie heb ik hem niet gekend. Het is pas in de loop van de jaren zestig dat ik veelvuldig contact met hem begon te krijgen. Dat contact was hoofdzakelijk schriftelijk. Ik geloof dat ik hem niet meer dan vijf maal heb ontmoet - waarvan een paar keer op begrafenissen, waar oude mensen elkaar tegenkomen.

Hoe is dat contact ontstaan? De eerste brief van hem die ik bewaard heb, dateert van januari 1967; maar we moeten elkaar al eerder geschreven hebben. De aanleiding hebben ongetwijfeld mijn beschouwingen over de Sovjet-Unie in deze rubriek gevormd, want daarover gaat bijna uitsluitend onze correspondentie. Er zijn in die jaren honderden brieven gewisseld.

Huijts was, zoals D.J. Cannegieter in zijn mooie herdenkingsartikel in de krant van zaterdag schrijft, vanaf het eerste uur aanhanger van de Russische revolutie en zou dat, zonder overigens ooit lid van de communistische partij te worden, tot aan de laatste ademtocht blijven. Maar hij was ook kenner van de geschiedenis der Sovjet-Unie, waarover hij in de jaren dertig een boek schreef.

Dat maakte hem voor mij interessant. Het Nederlandse communisme is, na Gorter, Pannekoek en Henriette Roland Holst, nooit erg gezegend geweest met grote theoretici. Discussie met communisten was daarom altijd polemisch, zo niet vijandig. Zo niet met Huijts. Ik heb veel van hem geleerd. Zo nu en dan verscheen hij in deze rubriek onder de naam “mijn marxistische vriend”.

Wat hem nog extra uitzonderlijk maakte, was dat hij, zoals Cannegieter ook memoreerde, stalinist was en bleef. Na de dood van Stalin (1953) was er, volgens hem, de klad gekomen in het socialistische experiment. Vooral Chroesjtsjov, die van 1953 tot 1964 secretaris-generaal van de communistische partij was, kon in zijn ogen geen goed doen.

Stalin had ervoor gezorgd dat de grond en de grote produktiemiddelen in handen van de gemeenschap kwamen en bleven. Dat is op hardhandige wijze gebeurd. Maar Huijts zei: “Er is een heilig doel, maar er zijn geen heilige middelen. Het vergt koelbloedigheid om in zichzelf onheilige middelen tegen elkaar af te wegen. In die zin kan je de politieke lijn van Stalin juist achten en toch het over de mensen gebrachte leed niet bagatelliseren.”

Maar de wensen van het volk dan? Daarop antwoordde hij (in juli 1968, vlak voordat de Sovjet-Unie een einde maakte aan het “communisme-met-een-menselijk- gezicht” van Praag): “De 'wensen' van een 'volk' zijn niet meer dan attributen, waarmee de regerende of publieke-meningvormende minderheden binnen een staatkundige organisatie (die zich dan gewoonlijk, als 'natie', met een of ander 'volk' identificeert) manipuleren en die zij ook zo nodig weten te produceren.

“Daarom kan ik het niet 'erg' vinden dat binnen een staatkundig-maatschappelijke organisatie waaraan in een bepaalde periode hoge en zeer urgente eisen van vernieuwing gesteld worden, de minderheden waarvan de nodige leiding moet uitgaan, zich eventueel zelf uitroepen en op hun manier een 'volkswil' produceren, die erop neerkomt dat het individu deze slechts ervaart als hard werken, een karig bestaan en geen al te grote mond.

“Het komt er maar op aan in welk perspectief deze offers van het individu gevraagd worden. Voor mij had de Russische revolutie een inhoud (die zij ook lang gehouden heeft), die - nee, ik zeg niet: elk offer waard was, elk offer rechtvaardigde, ook niet dat hij mij met de in feite gebrachte offers verzoende, maar wèl: dat ik erin kon berusten, dat ik de historische onafwendbaarheid nog altijd vermocht te beredeneren.”

Daar is uit marxistisch oogpunt niets tegen in te brengen. Zo dacht Marx ook over de mensenrechten (de “zogenaamde mensenrechten”, zei hij). Iemand die zo denkt, moet niet veel hebben van communisten die, zoals Huijts eens schreef, toegeven aan de “kleinburgerlijke verlangens van het individu naar materieel comfort, naar 'persvrijheid' enz.” Chroesjtsjov was zo iemand. Hij noemde hem dan ook de “eigenlijke doodgraver van de Russische revolutie”.

Immers, Chroesjtsjov “heeft de destalinisatie zo grof aangepakt, dat het inwendige bestel van de Sovjet-Unie en het uitwendige bestel van het socialistische kamp er niet door versterkt, maar verzwakt zijn. Het feit dat dit in wezen onomkeerbare processen zijn, maakt zijn verantwoordelijkheid des te groter.” Dat schreef Huijts mij in juli 1967. Wanneer Cannegieter het vermoeden uitspreekt dat Huijts als een “ontgoocheld man” is gestorven, dan was die ontgoocheling, wat de Russische revolutie betreft, al vroeg begonnen.

Maar die ontgoocheling heeft de hoop nooit helemaal gedoofd. In februari 1991 (Gorbatsjov liep op zijn laatste benen) schreef hij: “De met de Russische revolutie ingezette, inderdaad gigantische poging tot verbetering van de samenleving moge zich in een crisis bevinden, waaruit zij slechts bovenkomt (maar zó ver is het nog niet!) om te zien dat we weer van voren af aan beginnen moeten, ik behoor niet tot degenen die nu om het hardst roepen - en ik moet erkennen: tot van linkerzijde toe - dat de zaak van het socialisme verloren is; het socialisme failliet.”

Weer van voren af aan beginnen, een sisyfusarbeid dus. Dat thema vatte hij weer op in zijn laatste brief aan mij, die van 10 maart 1992, na het catastrofale einde van het socialistische experiment dus, dateert: “De Sisyphussen staan aan een nieuw begin, het vernieuwde begin, dat tevergeefs de strijd opnieuw als een machtsstrijd zal proberen te voltooien, om altijd weer te ontdekken dat zij over geen ander wapen beschikken dan de machteloosheid van de Rede, wier wezenlijk vermogen, haar Redelijkheid, in het proces van haar tegenstander - de ontwikkeling van de materiële verhoudingen - besloten ligt, om daarbinnen op haar zelfbevrijding te wachten.”

Ik kan niet zeggen dat ik het helemaal begrijp, maar dit lijkt mij minder Marx dan Carry van Bruggen, die overigens geen socialiste was, maar die hem wel, zoals hij in een interview met HP/De Tijd (19 november 1988) erkende, sterk beïnvloed heeft. In deze woorden van de toen 94-jarige lees ik niet zozeer ontgoocheling als wel berusting, zo niet wijsheid. En als we denken aan het woord van Albert Camus: “Il faut imaginer Sisyphe heureux”, was hij misschien zelfs gelukkig. In elk geval heb ik reden met dankbaarheid deze andersdenkende, met wie mij een jarenlange pennevriendschap verbond, te gedenken.