Thuis moet ik ook feel booter

Ik zal destijds, vijftig jaar geleden, wel vaker gehuild hebben, maar die ene keer staat me nog scherp voor de geest. Zeven jaar was ik en ik woonde in Odense, een middelgrote stad op het Deense eiland Funen. Munkebjergveý heette de straat in een rustige buitenwijk. Mijn pleegvader, Gunvald Christensen, dreef een textielwinkel in het centrum. Het was een bijzonder lieve man en ik wilde hem een keer, op een doordeweekse middag, van zijn werk halen, maar dat mislukte doordat ik hopeloos verstrikt raakte in al die straten en pleinen. Toen heb ik staan huilen, dat weet ik nog goed, omringd door hulpvaardige Denen, die dat Hollandse jochie niet begrepen.

Mijn echte ouderlijk huis stond in Hardinxveld op de grens met Giessendam. Ook deze aan elkaar gegroeide dijkdorpen in de Alblasserwaard mochten een contingent kinderen leveren voor uitzending naar Deense pleeggezinnen, om gedurende drie maanden aan te sterken in het land dat zoveel minder onder de oorlog had geleden dan wij. We waren met z'n vijftigen, jongens en meisjes, allemaal sterk vermagerd door de hongerwinter. In mijn geval werd beweerd dat die winter geen maand langer had moeten duren of ik was er geweest. Vooral suikergebrek, zegt men, had fataal kunnen worden. Dat lijkt me overdreven, al ontwaar ik op foto's uit die tijd inderdaad een knokig knaapje. Met een bol koppie, dat wel.

In elk geval is dat aansterken goed gelukt, daar bij Gunvald en Iris Christensen en hun zoon Paul. Voor mijn gevoel werd er ten minste één keer per week taart gegeten in een uitgebreide familiekring. Taart zoals ik zelden meer heb geproefd. Afgelopen zomer liep ik langs een banketbakker die Deense bollen verkocht, en opeens had ik de smaak weer even te pakken.

In Odense kreeg ik soms een Nederlands krantje, De Vliegende Hollander, waarvan ik enkele nummers heb bewaard. Het eerste bevat een brief van Cila van Lennep, echtgenote van de Nederlandse gezant in Kopenhagen, die mij en de andere 3.500 Nederlandse kinderen in Denemarken opriep vooral dankbaar te zijn jegens ons pleeggezin. “Toont jullie dankbaarheid door je gedrag. Je kunt meewerken om het leven van je omgeving zoo prettig mogelijk te maken door een lief en vriendelijk gezicht, door goede manieren en door anderen te helpen waar en hoe je maar kunt.” Was ik dankbaar genoeg? Waarschijnlijk niet, maar een zevenjarige, ver van huis, heeft aan dankbaarheid weinig te bieden. Dat zou pas later komen.

Er is ook correspondentie over en weer bewaard. Mijn eerste briefje naar huis: “liefe Paa en moe we sein goet in demarken aancekommen. se heben kipen en een hont eneen kint, die heet Paul. Wei heben het goet. wei kreigen heelfeel booter op ons booteramen. als ik thuis komt moet ik ook feel booter. se heben feel eierenvan de kipen. Het is mooi indeenemarken, er sein feel bosen.” Ach, ik had nauwelijks onderwijs gehad, moet u rekenen. De lagere school in mijn dorp was in de laatse oorlogsjaren regelmatig gevorderd door de Duitsers of gesloten wegens brandstofgebrek.

Een brief van de andere kant, van mijn broer Kees: “Je konijn groeit al aardig, hij lust graag bloemkool. Ik mest hem elke week uit. Gert van Herpen gaat naar bewaarschool. Je kan nou zeker al aardig wat Deensch? Je moet maar veel eten, en de hond flink aaien. We verlangen allemaal wel naar je.” Dat zag er veel beter uit, maar Kees was dan ook drie jaar ouder dan ik. Het woordje 'wel' in de laatste zin kon me achteraf minder bekoren. Gert van Herpen was een buurjongen, zoon van de kapper, die zijn zaak bij de bevrijding 'Salon Tommy' had genoemd. En of ik al aardig wat Deensch kende? Toen ik na drie maanden thuis kwam, zo is me verteld, was ik voor mijn familie amper te verstaan.

Ik heb de taal weer net zo gauw afgeleerd als aangeleerd. Helaas. Mijn Deense pleegouders en hun zoon Paul heb ik nog enkele keren ontmoet, toen zij bij ons of wij bij hen op bezoek kwamen. Iris Christensen is allang dood. Gunvald zag ik voor het laatst in 1988, een oude, door reuma gekromde man, die bij zijn zuster woonde. Hij huilde bij het weerzien.