Strenge geest van Brecht waart rond op wereldpremière van 'David'

Voorstelling: David (Wereldpremière) van Bertolt Brecht. Bewerking en regie: Brigitte Grothum; decor: Igael Tumarkin; muziek: Karl-Heinz Nehring; kostuums: Jenny Schall; spelers: Ekkehard Schall, Albert Obitz, Klaus Dahlen e.v.a. Gezien 4/11 Hebbel-Theater, Berlijn. Nog te zien t/m 19/11 aldaar. Inl. 0049-30-312.70.41.

Met aarzelend applaus en bescheiden maar dwingend boegeroep werd afgelopen zaterdagavond in het Berlijnse Hebbel-Theater de wereldpremière van Brechts pas ontdekte toneelstuk David ontvangen. Waren het de doorwinterde Brechtianen die hun afkeuring zo luid lieten blijken of sprak hier onomwonden het kritische Berlijnse theaterpubliek? De enige die op bijval mochten rekenen waren Albert Obitz die de jonge, blondgelokte David vertolkte, en Ekkehard Schall, een reus van een acteur die ooit met Brecht samenwerkte in de rol van de oude koning David.

De strenge geest van Brecht waarde rond op deze wereldpremière, die zonder enige feestelijkheid verliep. Toch ervaarde ik iets van een historisch moment, niet in het minst door het stijlvolle, houten interieur van het Hebbel-Theater uit 1908. Bertolt Brecht schreef David in 1919; hij was toen tweeëntwintig jaar oud, theaterkriticus voor de Augsburger krant Volkswillen. In dezelfde tijd ontstonden zijn eerste expressionistische stukken als Baal en Trommeln in der Nacht. Brecht dankte er zijn beroemdheid aan. Met zijn theaterstuk over de legendarische koning David wilde hij eerbetoon brengen aan een van zijn geliefdste boeken, de Bijbel. Als jongeman kreeg David entree aan het hof van koning Saul dankzij het spel op zijn citer, waarmee hij de gekwelde koning rust schonk. Zo leeft David voort in de kunsten: als psalmdichter. Maar hij is ook de jongeman die met een uit volle kracht geslingerde steen de reus Goliat versloeg. Zo kennen we David van het beeld van Michelangelo (1501-1503), waarin hij in het marmer is gevangen vlak voordat hij zal treffen. De steen rust op zijn schouder, hij kijkt afwachtend.

Hoewel het oorspronkelijke bijbelverhaal over David, te lezen in het boek Samuel, vol strijd en geweld schuilt, zoekt Brecht naar een pacifistische oplossing - een verlangen dat tot op heden van grote betekenis is, en telkens weer op brute wijze wordt afgestraft. Zoals dit afgelopen weekeinde op ontstellende wijze bleek. In de strijd van het joodse volk tegen de Filistijnen wijst Brecht de oorlogszuchtige agressie af. Saul en zijn zoon Jonathan verliezen tijdens de strijd het leven. David is Brechts charismatische, ideale leider, die de joods-israëlische staat tegen vijandelijkheden moest behoeden (ca. 1000 v. Chr.). In het toneelstuk zijn die beide lijnen, een bijbels-historische en een politiek-actuele, hecht met elkaar verbonden.

Voor Brecht is David niet alleen de stichter van de heilige stad Jeruzalem, hij is de man die de alleenheerschappij van Saul over het joodse volk bestreed. Hierin sluit Brecht aan bij de beeldende kunst, waarin voorstellingen van David als voorafbeeldingen van Christus gelden. David is overgeleverd als een uit brokstukken bestaand fragment. Brigitte Grothum die het stuk bewerkte en regisseerde heeft er een alomvattende voorstelling van willen maken, met muziek en choreografie, waarin meer Brechts toneeltheorieën de boventoon voeren dan dat er levendige, meeslepende personages op de toneelvloer staan. Zijzelf treedt op als vertelster; ze komt aan het begin op en zegt dat we 'een doorloop gaan zien van David, zonder pauze'. Een bord met daarop 'Bertolt Brecht David' moet de toeschouwer het oude Brechtianse vervreemdingseffekt inpeperen. Ook het draaitoneel is uit de school van Brecht. Ineens komt er ook een brommerkoerier door de voorstelling waaien, zomaar. Hier begaat de regie een fout; Brechts strenge theorieën zijn van later datum en harmoni-eren in geen enkel opzicht met het felkloppende expressionisme van zijn vroegste werken.

De gevaren van het epische theater wreken zich bij de meeste acteurs; zij zijn niet in staat die onpersoonlijke en cerebrale speelstijl vol te houden. Ze vertellen een verhaal, ze spreken niet uit het hart tot het hart van de toeschouwer. Wij keken er van op afstand naar, vandaar het protest aan het slot.

Toch is het onrechtvaardig deze voorstelling niet met enig enthousiasme te ontvangen. Al faalt ze als reconstructie van de historische Brecht-stijl - die onverwacht ouderwets aandoet -, dank zij de verschillende dubbelrollen van de vijfenzestigjarige Ekkehard Schall was ik getuige van wat een groot Duits acteur vermag. Hij wist de koningsgeschiedenis van David die zijn volk op vreedzame wijze een eigen rijk wil schenken op bewonderenswaardige manier menselijk te maken. Gehuld in grauwe mantel, het massieve hoofd getekend als de kop van een walvis, bracht hij de dilemma's van het koningschap voor het voetlicht. Hoe dwingend moet hij zijn, hoe luisterend? Waar begint geweld? Hoe onrust onder de onderdanen te voorkomen? Hier transformeerde hij verstandelijk overleg tot emotionele vertwijfeling.

Ekkehard Schall redde voor mij de voorstelling, omdat hij het minst Brechtiaan was. Hij acteerde buiten de grenzen van de regie om en lapte de hele vervreemding aan zijn laars, eenvoudigweg door te geloven in Davids woorden. En dat terwijl hij ooit onder Brecht speelde. Schall vertolkte de titelrol als een koning, een leider, die zich onophoudelijk bewust is van het fragiele, het bedreigde van zijn koningschap. Dat is het conflict van Brechts David: de angst voor geweld voor iemand die geen macht wenst te gebruiken. Als we veel overbodigs uit de voorstelling wegdenken, speelt het drama zich af op dit punt van het zwaard.