Strekdam breekt golfslag voor zeereep van Texel

TEXEL, 6 NOV. Een paar keer scheert de helikopter laag over de kop van Texel om de inzittenden, waterstaatsmensen en journalisten, goed zicht te geven op de strekdam die hier de afgelopen maanden haaks op de kust werd gebouwd. Het 800 meter lange kunstwerk moet dienen als barrière tegen het wegspoelen van strand en duin, waar vooral Texel onder te lijden heeft. Een zwarte streep in de woelige baren. “Voor de aanleg”, vertelt projectleider B.J. Budde, “is 117.000 ton breuksteen uit Duitsland, België en Noorwegen aangevoerd.” Kosten: 15 miljoen gulden.

Het is maar een deel van de som (60 miljoen) die Rijkswaterstaat jaarlijks besteedt om de zee in toom te houden. Tot 1990 werd Nederland gaandeweg kleiner door een stelselmatige afkalving van de 350 kilometer lange kustlijn, waar de golfslag, aangewakkerd door hevige wind, om de haverklap stukken duin en strand wegvrat. Sinds dat jaar lijkt de erosie tot staan gebracht, maar nog altijd moet Rijkswaterstaat als beschermer van de vaderlandse kust alle zeilen bijzetten om verder terreinverlies te voorkomen.

De helikopterblik maakt duidelijk wat er al aan kwaad is geschied. Bij Egmond en Bergen toont de zeereep (de duinenrij vlak langs het strand) het uiterlijk van naakte, steile kliffen. Nog maar enkele jaren geleden raakte de Egmondse boulevard beschadigd door de watermassa; een restaurant aan de promendade heeft praktisch op instorten gestaan. De Hondsbossche zeewering tussen Camperduin en Petten steekt als een langgerekte kaap in zee doordat het strand aan weerskanten werd teruggedrongen.

Al enkele decennia probeert waterstaat de afslag tegen te gaan of af te remmen door op bedreigde plaatsen extra zand, afkomstig van de zeebodem, op het strand en tegen de duinen te spuiten. Die zogenoemde zandsuppleties bleken echter onvoldoende om te voorkomen dat de kustlijn gemiddeld terugweek. Het saldo was ronduit negatief: Nederland werd langzaamaan kleiner.

Dat veranderde in 1990 na verschijning van de eerste Kustnota, die verschillende mogelijkheden voor een toekomstig beleid beschreef. Ze varieerden van 'terugtrekken', dat wil zegen: het deels accepteren van de kusterosie, tot een 'aanvallende' oplossing, waarbij het landoppervlak door middel van dammen in zee zou worden uitgebreid. Een tussenoplossing hield in dat de bestaande kustlijn gehandhaafd zou blijven. Voor dat laatste is ten slotte gekozen.

Aan het begrip 'handhaven' werd in de Kustnota de term 'dynamisch' toegevoegd. Die dynamiek kwam tot uiting in het besluit op de kop van Texel een strekdam aan te leggen. Daarnaast blijven de zandsuppleties het voornaamste middel om de kustafslag te bestrijden. Sinds 1990 is op die manier alleen al in Noord-Holland 16 miljoen kubieke meter zand verzet. Dit jaar zijn bij Bergen en Egmond nog omvangrijke suppleties uitgevoerd. “Daarmee”, zegt ir. I.J. de Boer van Rijkswaterstaat, “hebben we bereikt dat de faalkans van de boulevards kleiner is dan eens in de 500 jaar. Het gevolg was wel dat een zandversterking bij Wijk aan Zee moest worden uitgesteld. Die staat nu voor 1996 op het programma.”

Van de 60 miljoen gulden die zijn dienst jaarlijks aan de zeekant besteedt heeft Noord-Holland met circa negentig kilometer kustlijn de helft nodig. Hiervan gaat tweederde naar Texel, waarmee dit eiland voor de kustbescherming het duurste stuk van Nederland is. De afslag door wind en water is op Texel het grootst. Als er niets werd gedaan, zou er per seizoen zeven meter strand en duin in zee verdwijnen.

Een ander waddeneiland dat permanent onder druk staat is Terschelling, waar in 1993 een voor Nederland nieuw systeem van suppletie in praktijk werd gebracht. Zuigers hebben daar het zand - bij elkaar twee miljoen kuub - niet op het strand gespoten, maar vlak daarvoor op vijf tot zeven meter onder water. Deze methode vereist meer zand om een vergelijkbaar resultaat te bereiken, maar de kosten per kubieke meter zijn lager. Bovendien kan het hele jaar worden doorgewerkt, omdat de recreatie er geen overlast van ondervindt.

Of Rijkswaterstaat met het jaarbudget van 60 miljoen uitkomt is inmiddels de vraag. Zandsuppleties, in welke vorm dan ook, zijn duurder dan in 1990, toen het bedrag werd vastgesteld, en bovendien is er een ongewisse factor in het spel: een eventueel versnelde zeespiegelstijging door het broeikaseffect. Sinds eeuwen komt de zee met gemiddeld twintig centimeter per honderd jaar omhoog als naijleffect van de laatste IJstijd. Hierdoor is bijvoorbeeld de Sint Agneskerk van Egmond in zee verdwenen en hetzelfde geldt voor het Romeinse castellum de Brittenburg bij Katwijk, waarvan de resten bij extreem laag water nog zichtbaar moeten zijn.

Die stijging van de zeespiegel gaat nog altijd door en zou zelfs in een hogere versnelling kunnen komen. Het noorden en westen van Nederland zijn bovendien sinds jaar en dag onderhevig aan een proces van bodemdaling als gevolg van ontginningen in het verleden en het stelsel van ontwatering, waardoor polders nog voortdurend inklinken.

Beide krachten gaven indertijd voedsel aan rapporten en artikelen met een ronduit onheilspellend karakter: als het zo doorging zou op den duur heel westelijk Nederland ten offer vallen aan het oprukkende water. Afgezien van een paar verspreide eilandjes zou Nederland ter hoogte van Zeist beginnen en Amersfoort zou een nieuwe toekomst als havenstad kunnen opbouwen: 'Amersfoort aan Zee'. Maar die sombere klanken worden sinds 1990, het jaar van de ommekeer, nauwelijks meer vernomen. “De kustlijn”, meldt ir. De Boer, “is de laatste jaren gelukkig op zijn plaats gebleven.”