'Sorgdrager zweeg over doorlevering cocaïne'

DEN HAAG, 6 NOV. Minister Sorgdrager (justitie) heeft begin 1994 als procureur-generaal in Den Haag ten onrechte nagelaten de toenmalige minister Hirsch Ballin in te lichten over het op de markt brengen van honderden kilo's cocaïne door de politie in Den Haag.

Dit zei de secretaris-generaal van het ministerie van justitie, J.H. Suyver, vanmorgen voor de enquêtecommissie opsporingsmethoden. Tegenover de commissie bevestigde Suyver dat zijn huidige politieke baas - “achteraf, met de kennis die we nu hebben” - is “tekortgeschoten”.

De doorleveringen van cocaïne door het zogenoemde CoPa-team, dat de drugshandel van de Surinaamse ex-legerleider Bouterse onderzoekt, werden Sorgdrager als procureur-generaal in het ressort Den Haag gemeld door hoofdofficier van justitie J.A. Blok, in een notitie van het Haagse OM van 17 januari 1994. Dit was ruim een maand nadat het IRT Noord-Holland/ Utrecht was ontploft omdat dit team op grote schaal softdrugs op de markt bracht in een poging een van de grootste misdaadbendes, de erven-Bruinsma, op te rollen.

Deze opsporingsmethode werd vorig jaar maart goedgekeurd door de commissie-Wierenga, vooral omdat er geen harddrugs op de markt waren gebracht. In het IRT-debat van 7 april vorig jaar speelde dit gegeven een hoofdrol in de verdediging van de methode door toenmalig minister Hirsch Ballin. Het feit dat in het ressort van toenmalig procureur-generaal Sorgdrager wel harddrugs op de markt werden gebracht had de minister moeten weten, aldus Suyver vanmorgen.

Suyver vertelde de commissie ook dat hij de politieke consequenties van het onderzoek naar Bouterse, die een goede kans maakt volgend jaar de verkiezingen in Suriname te winnen, te lang voor zich heeft “uitgeschoven”. Vorige week suggereerde officier van justitie Van der Voort van het CoPa-team dat het onderzoek dreigt te stranden op politieke onwil, met name van Buitenlandse Zaken.

Pagina 3: 'Vertrek Van Randwijck te vroeg bekend geworden'

Suyver was voorzitter van een 'groep' topambtenaren die het CoPa-onderzoek vanuit de overheid aanstuurde. Hij zei dat hij “geen exact scenario” had gemaakt voor het geval het tot een succesvolle vervolging van Bouterse zou komen. De 'groep' is door toedoen van Suyver in 1993 “een zachte dood gestorven”. Hij liet in het midden of er nog een kans is dat Bouterse met succes kan worden vervolgd.

Suyver verklaarde ook dat het ministerie de afgelopen vijf jaar ten onrechte heeft nagelaten wetgeving aan de Tweede Kamer aan te bieden waarin de bijzondere opsporingsmethoden van politie en justitie worden geregeld. “Achteraf kijkend zeg ik: we hadden eerder en serieuzer werk moeten maken van de normering”, aldus Suyver. Op het departement circuleerden al sinds 1989 voorstellen om tot een dergelijke normering te komen. De secretaris-generaal bekende ook dat er op zijn departement onvoldoende kennis heeft bestaan over de praktijk van het opsporingswerk. Hij vertelde dat hij nog altijd niet zeker weet of hij nu wel voldoende zicht op dit werk heeft.

Volgens Suyver is de politie de laatste jaren “te zelfstandig” geworden. Hij kon daarvoor geen expliciete verklaring geven. “Het heeft onmiskenbaar te maken met een gebrek aan gezagsuitoefening, niet alleen door het openbaar ministerie maar ook door het bestuur”, aldus de secretaris-generaal.

Suyver zei dat het nieuws over het vertrek van de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck te vroeg bekend is geworden. Hij wilde ontkennen noch bevestigen of de positie van andere functionarissen bij het openbaar ministerie ter discussie staat. Er worden voor volgens hem op dit moment “geen functioneringsgesprekken” gevoerd op zijn departement. Hij zei niet te weten of dit op Binnenlandse Zaken wel gebeurt.

De secretaris-generaal heeft inmiddels ernstige twijfels over de aanvaardbaarheid van de methode die het IRT Noord-Holland/ Utrecht toepaste. “Op basis van wat ik nu weet heb ik de indruk dat de overheid door de criminelen werd gerund”, aldus Suyver. Hij verklaarde niet op de hoogte te zijn geweest van de omvang van de miljoenenwinsten die criminelen onder gezag van het openbaar ministerie boekten toen ze voor de politie werkten.