Partijbeleid verontrust Chinese rijken

PEKING, 6 NOV. De nieuwe rijken van China voelen zich in toenemende mate ondervertegenwoordigd in de politiek. Zeker nu de communistische partij een decreet heeft uitgevaardigd waarin is bepaald dat zelfstandige ondernemers niet langer lid mogen worden van de partij. “Wij helpen dit land naar een betere toekomst, betalen de meeste belasting, maar we hebben de minste rechten”, aldus één van hen.

De regering in Peking zit met een dilemma. Hoe controleert de partij het zakenleven zonder dat het zakenleven de partij controleert? Die vraag houdt het Chinese bewind al geruime tijd bezig. Want ondernemers zijn goed voor de economie, maar voor de partij zijn ze een grote bron van zorgen.

“Het besluit zelfstandige ondernemers niet langer toe te laten tot de communistische partij komt voort uit het specifieke karakter van de partij zelf”, aldus de Chinese krant Press Digest twee maanden terug. “Als wij hen toch toelaten, zal dat het klassefundament van de partij aan het wankelen brengen en uiteindelijk de verstandhouding tussen de partij en de massa vertroebelen.”

Maar was het niet in de zomer van 1993 dat het centraal comité van de communistische partij haar leden aanmoedigde 'commercieel te gaan'? Sterker nog, personen met initiatief die in staat zouden zijn succes te boeken werd een flinke financiële bonus in het vooruitzicht gesteld. De achterliggende gedachte van dat beleid was nu juist dat de partij met de 'infiltratie' van partijkader in de commerciële sector hoopte haar grip op het zakenleven te verstevigen.

Nog altijd wordt in China de commerciële sector met wantrouwen bejegend. Dat heeft een historische context. Zakenmensen nemen van oudsher de laagste trede in op de sociale ladder, na de intellectuelen, militairen, boeren en arbeiders. “Handel wordt beschouwd als iets smerigs, werk dat principieel fout is. Maar uiteindelijk willen de meesten graag in zaken. Zolang men er echter geen deel van uitmaakt wordt er op afgegeven”, zegt Yang Zhongwei, vertegenwoordiger voor de Franse kledingfabrikant Pierre Cardin.

Yang, die zich voorstelt als Johnwehl Yang, kan het weten. Toen hij in de zomer van 1989 zijn baan bij de Chinese academie voor sociale wetenschappen (CASS) opgaf en voor zichzelf begon, werd hij door zijn collega's, vrienden en familie niet begrepen. “Hoe kan zo'n veelbelovende jongeman nou zo'n stap nemen”, vroeg iedereen aan de toen 37-jarige Yang.

Als hoofd van de macro-economische afdeling van de prestigieuze CASS, de denk-tank van de Chinese regering, stond Yang een glansrijke carrière binnen de politiek te wachten. “Ik diende de hoogste regeringsleiders van advies”, aldus Yang. Maar zijn liberale ideeën over de invoering van een vrije markteconomie zetten kwaad bloed bij het conservatieve kamp binnen de regering. “Mijn ziel werd veranderd door Adam Smith”, zegt Yang, die vier jaar in Duitsland aan de universiteiten van Kiel en Hamburg verbonden is geweest.

Hij werd bekritiseerd door de Chinese autoriteiten en kon na 1989, het jaar waarin de pro-democratische studentenbeweging bloedig werd neergeslagen, niet meer vrijuit spreken. “Ik besloot mijn mond te houden en voor mijzelf te beginnen.” Wat toen volgde was een wervelstorm van succes. Yang deed een kosteloos marktonderzoek voor Pierre Cardin, wist de Franse kledingfabrikant te overtuigen en kreeg binnen vier maanden de rechten om Pierre Cardin-kostuums te verkopen in Peking. Daarna leende hij via een vermogend familielid in Hongkong honderdduizend gulden, opende een winkel en was binnen een half jaar uit de schulden.

“Ik had dat verwacht, de kostuums gingen voor 200 gulden per stuk als broodjes over de toonbank. Ik verkocht er 10.000 in het eerste jaar”, zegt Yang. Inmiddels, zes jaar later, heeft hij 33 winkels in heel China, 300 mensen in dienst en draait zijn bedrijf een omzet van 20 miljoen gulden per jaar. “Es lohnt sich”, zegt Yang droogjes.

Met zijn vroegere collega's bij de CASS heeft hij weer contact en ook wordt hij niet langer door hen uitgemaakt voor 'vuile profiteur'. “Als een intellectueel heb ik mijn uiterste best gedaan de vooroordelen over de commerciële sector uit de weg te ruimen. Mensen zoals ik zijn zinvol voor dit land. Ik betaal meer dan dertig procent belasting en ik verschaf een hoop Chinezen werk, dat mag best gezien worden”, zegt Yang.

Die mening is ook Zhao Xijun toegedaan. Zhao, die niet met zijn eigen naam in de krant wil uit angst voor gevolgen voor hem en zijn bedrijf, is directeur van een onderneming in onroerende goederen en maakt jaarlijks vele miljoenen guldens winst. De beslissing van de regering zelfstandige ondernemers voortaan te weren uit de partij vindt hij verontrustend. “Het is de communistische partij geweest die in navolging van Deng Xiaopings denkbeelden de weg heeft vrijgemaakt voor kapitalistische ontwikkelingen, maar nu het te hard gaat moet er blijkbaar worden ingebonden.”

Volgens de 35-jarige Zhao typeert dat het beleid van de partij. “Ze realiseert zich altijd pas in tweede instantie dat het uiteindelijke resultaat van hervormingen het eigen doodvonnis is. Ondernemers die in de partij zitten zullen altijd voor zichzelf kiezen en dat weet men in Peking.”

Zhao is een opportunist met weinig vertrouwen in de toekomst. “Ik maak mij grote zorgen voor de groeiende groep ondernemers in de samenleving. Het wordt ons niet gemakkelijk gemaakt door de regering en ik vraag mij af of ik politieke stappen moet ondernemen.” Zhao komt regelmatig bijeen met een aantal succesvolle 'captains of industry' om te praten over dergelijke problemen.

“Chinese zakenlieden die al wat langer actief zijn weten wat de kracht is van deze regering. Er ìs een weg terug, de communistische partij is machtig genoeg om alles stop te zetten.” Volgens Zhao is het een kwestie van overleven. Hij houdt de politiek scherp in de gaten. En mocht het zover komen, dan heeft hij zijn koffers al klaar staan. Zijn vrienden helpen hem wel het land uit.

Ondanks dergelijke doemscenario's laten de meesten zich niet afschrikken en groeit het aantal zeer succesvolle ondernemers gestaag. Volgens onnauwkeurige, maar officiële gegevens verdienen meer dan een miljoen Chinezen tenminste 200.000 gulden per jaar en behoren zij, uitbetaald in yuans, tot China's miljonairs. Zij kunnen zich grote huizen veroorloven, rijden in dure auto's - de Ferrari-winkel in Peking kan amper aan de vraag naar de luxe auto's voldoen - kleden zich naar de laatste mode uit Hongkong en laten zich graag zien in één van de vele elite-clubs die de grote steden in China inmiddels rijk zijn.

De Chinese autoriteiten maken zich daarover duidelijk zorgen en steeds vaker publiceren de kranten artikelen waarin de excessen van de dakuan, de 'big spenders', breed worden uitgemeten. Deze week schreef de Tianjin Evening News: “Onze taak is niet te leren van de miljonairs, we moeten hen redden. [...] Zij verkwisten hun geld, gebruiken drugs, bezoeken prostituées en de media schilderen het af alsof het allemaal geweldig is. Dat is abnormaal. Miljonairs zouden hun geld moeten afstaan aan de armen.”

Jian Xue doet niet aan excessen. De 35-jarige makelaar in effecten wil dergelijke geruchten wel ontzenuwen. “Natuurlijk zijn er mensen die zich te buiten gaan aan de pas behaalde rijkdom, maar zakenlieden zoals ik, die met hard werken iets hebben bereikt, hebben daar geen belang bij.” Jian ontvangt zijn gasten in de executive club op de vijftigste verdieping van de Landmark Tower in Peking. 'Alleen voor leden. Gaarne in gepaste kledij', staat op de speciale liftdeur geschreven die toegang biedt tot de club.

Ook Jian wil niet met zijn eigen naam in de krant uit angst voor nare gevolgen. “Je weet het maar nooit. Je hoort van die verhalen en ik wil geen problemen”, verklaart hij zijn verzoek. Jian heeft het druk, met drie 'piepers' op zak en een draagbare telefoon is hij voortdurend in de weer. “Ik heb totaal geen zorgen over de toekomst, alles wat ik nu doe is mijn eigen verantwoordelijkheid. Geweldig”, zegt hij zichtbaar tevreden.

Dat was vroeger anders. Jian werkte als veelbelovend wetenschappelijk medewerker bij de Peking Academie voor Sociale Wetenschappen. “Initiatieven werden niet getolereerd, ik kon nooit de waarheid zeggen, alles werd bepaald en beperkt door mijn bazen. Ik kon daar niet meer tegen en heb in de zomer van 1989 mijn ontslag genomen en ben voor mijzelf begonnen.”

Jian leende geld, had succes en was binnen enkele maanden uit de schulden. In tegenstelling tot pessimistische ondernemers als vastgoedhandelaar Zhao Xijun heeft hij geen enkele zorgen over de toekomst. “Ondernemers zijn van belang voor dit land. Rijk stimuleert arm. Als ik in mijn auto een fietser passeer dan denkt die onmiddellijk, 'dat wil ik ook'. Het is gewoon een kwestie van hard werken, dan is rijkdom voor iedereen weggelegd.”

Er klinkt een snerpend geluid door de executive club, één van Jian's piepers gaat. Hij heeft alweer een afspraak en moet onmiddellijk weg.