Niet voor het eerst wordt Bodar weggestuurd

Antoine Bodar vindt het jammer dat “het mysterie van de kerk zo op de achtergrond is geraakt”. Enkele jaren was hij priester bij de Krijtberg-kerk in Amsterdam. Nu wordt hij ontslagen omdat hij een te groot eigen stempel op de parochie zou hebben gedrukt.

Hij was nooit te porren voor een partijtje voetbal. Zijn oudere broer vond het maar niks. Van ravotten hield-ie ook al niet, net zomin als van kwajongensstreken. In plaats daarvan speelde hij misje met zijn twee jongere zusjes. Of schooltje. Zijn vader, een hoge ambtenaar bij het GAK, keek ook wel eens zorgelijk. Vanaf z'n zesde schoot Antoine als 's ochtends de wekker ging, in de kleren en holde hij naar de parochiekerk waarvan de deuren iedere ochtend om zeven uur opengingen. Dit was zijn wereld, hier wilde hij het liefst alle dagen zijn. Als misdienaar, later als priester - dat wist hij zeker.

Na afloop van de dagelijkse ochtendmis, om half negen, ging hij snel naar huis, pakte de boterhammen die zijn moeder voor hem had klaargemaakt en ging naar school. Omdat hij een goede leerling was mocht hij, samen met vier klasgenootjes, regelmatig om kwart over tien weg om te assisteren bij rouw- of trouwmissen. 's Zondags was het helemaal feest: kon hij de hele dag in de kerk zijn. “Mijn oudere broer vond mij erg heilig. Dat vond ik niet leuk. Hij was het tegenovergestelde van mij, stoer en flink. Ik was het frêle broertje.”

Muziek van Pergolesi schalt door zijn strak ingerichte woning in de binnenstad van Amsterdam. Troostende klanken. Op zijn bureau ligt een kruisbeeld. Hij neemt het op en houdt het tegen zich aan. “Gekregen van een mevrouw uit de parochie. Als troost.” Gezeten in een lederen fauteuil maakt priester Antoine Bodar een enigszins aangeslagen indruk. Heeft hij zelden last van, zeggen vrienden. Maar de recente commotie over zijn gedwongen vertrek uit De Krijtberg is even te veel. Een parochiaan heeft hem aangeraden versterkende middelen te slikken - hij is al zo dun. Een ander welgemeend advies, goed eten, is nauwelijks aan hem besteed: hij is geen koker. Zijn 'maaltijden' gebruikt hij staande bij het aanrecht.

Het bericht dat hij begin januari De Krijtberg, een rooms-katholieke kerk aan het Singel in Amsterdam, dient te verlaten kwam onverwacht. Hij had, zoals gebruikelijk, de dagelijkse mis opgedragen, die maandag de 23ste oktober. Na afloop werd hij terzijde geroepen door pater W.A. Sormani. Die vertelde hem dat bij zijn benoeming, drie jaar geleden, een procedurefout was gemaakt. Dat wist Bodar wel, maar hij hoorde nu voor het eerst dat daar consequenties aan verbonden zouden worden. Ten onrechte was hij destijds niet voorgedragen door de provinciaal van de jezuïetenorde, die verantwoordelijk is voor De Krijtberg, maar was hij aangesteld door de Haarlemse bisschop Bomers die hem eerder tot priester had gewijd. Ook was geen rekening gehouden met het feit dat Bodar geen jezuïet is, maar een 'wereldheer' - iets waar Sormani trouwens geen moeite mee heeft. Maar het hoofdbestuur van de orde had Sormani laten weten dat als hij begin volgend jaar weg zou gaan bij De Krijtberg, Bodar ook weg moest. “Het gesprek, als je dat zo mag noemen, duurde twee minuten.” Per telefoon gaf Bomers hem een welgemeend advies: “Trek het je niet aan.”

Hij is wel eens eerder ergens weggestuurd. De eerste keer in 1962, hij zat toen in de vierde klas van het Amsterdamse Ignatiuscollege, dat geleid werd door de jezuïeten. Hij vond het trouwens geen leuke school. Er hing een beklemmende sfeer, de paters waren streng en voor zijn leraar Latijn was hij ronduit bang. “Die was zo onbehouwen.” Als hij terugdenkt aan het verplichte zwemmen, elke zaterdagavond twee uur, druipt de afkeer van zijn gezicht. “De paters zwommen dan ook. Zag je ineens een volwassen lijf in het water ronddobberen - en niet zo mager.”

Dromend zat hij gebogen over zijn schoolboeken. Dromend over later: als hij zelf priester zou zijn, want dat wilde hij nog steeds worden. Slechte rapporten en een “zeer onaangename” conrector gooiden roet in het eten. Hij bleef in de vierde klas zitten. Zijn ouders kregen van de conrector te horen: “Uw zoon is homoseksueel en moet van school af.” Pas veel later zou blijken dat de conrector gelijk had, de weggestuurde scholier Bodar was zich dat in 1962 nog niet bewust.

Overdag werken en 's avonds naar school luidde het parool van zijn vader. Hij kreeg een baantje op de crediteurenadministratie van uitgeverij Meulenhoff à raison van 150 gulden per maand. De gang naar de avond-HBS viel hem zwaar. Zozeer dat de spanning thuis te hoog opliep en hij besloot het huis uit te gaan. Hij huurde een bakfiets, laadde zijn boeken erop en trapte naar de Frans van Mierisstraat in Amsterdam-Zuid. Daar stond een kamer te huur. Het baantje bij Meulenhoff had hij verruild voor “iets met ponskaarten” bij Time Life.

Zijn priesterroeping raakte steeds meer op de achtergrond. Hij richtte zijn blik op de omroep, de KRO en de VARA, waarvoor hij in de jaren zestig radio- en tv-programma's ging maken. Woelige jaren - niet alleen op maatschappelijk vlak, maar op ook kerkelijk terrein. Het Tweede Vaticaans concilie haalde bij nogal wat op het mysterie geënte katholieke gelovigen de grond onder de voeten weg. “Ik herkende de kerk niet meer. Ik ging er ook niet meer naar toe, maar zette thuis Bach op of Gregoriaanse muziek.” Ex-priester en dichter Huub Oosterhuis: “Het is niet wijs dat hij zich zo schamper is gaan uitlaten over de vernieuwingsbeweging van de jaren '60.” “Ik schamper niet maar ik vind het jammer dat het mysterie van de kerk zo op de achtergrond geraakt is”, zegt Bodar.

Met veel hangen en wurgen haalde hij in 1969 zijn staatsexamen gymnasium. Nog jaren droomde hij dat hij zou zakken. Terwijl hij zich, eenmaal ingeschreven aan de Universiteit van Amsterdam, ontpopte als een snelle en leergierige student geschiedenis. Hij had niet veel op met de toen vigerende linkse theorieën en ging, na zijn doctoraal, in Leiden verder studeren. Filosofie, kunstgeschiedenis.

“Op het belachelijke af wilde hij doctoraalexamens doen. Ik denk dat hij bang was om te promoveren”, zegt prof.dr. S. Dresden, emeritus hoogleraar Franse taal- en letterkunde, bij wie Bodar colleges algemene literatuurwetenschap liep. “Hij was ambitieus, bepaald niet verlegen en hij vond het wel mooi om op de voorgrond te treden.” Bodar: “Aan promoveren was ik nog niet toe. Ik was te onzeker en had een grote behoefte aan leermeesters, mensen die bijdragen aan je algemene vorming.”

Wijlen uitgever Johan Polak was zo'n leermeester. Hij spoorde hem aan, maar waarschuwde hem ook niet van alles aan te pakken. “Wees een beetje voorzichtig en doe niet te veel tegelijk. Gedenk de oude stumperd die mede daardoor geheel mislukt is (...)”, schreef Polak in februari 1979 aan Bodar. Tien jaar later schreef hij: “Ach, Antoine, nu zijn we twee alom verwaarloosde bedeldoctores en wat heb je daar eigenlijk aan? Nochtans houden we moed!”

Bodar werkte inmiddels in Leiden als universitair docent kunstgeschiedenis. Daarnaast liep hij college aan de katholieke theologische universiteit in Utrecht. En keerde de wens om priester te worden in alle hevigheid terug. In 1986, hij was toen in Florence op excursie met zijn studenten, vertelde hij zijn collega dr. T.A.P. van Leeuwen dat zijn besluit vaststond: ik word priester. Die liet onmiddellijk een fles wijn aanrukken om het te vieren. Van Leeuwen: “Ik ben een fan van hem, niet van zijn kerk. Hij is een uitstekende vriend en collega, een man van grote eruditie. Hij overvleugelt velen.”

Oud-student kunstgeschiedenis drs. C. Wintermans volgt nog steeds Bodar's colleges. “Hij is enthousiast en inspirerend. Als hij college geeft zit de zaal vol. Hij wekt wel wrevel bij zijn collega's, staat hij weer in de krant en zij niet.” Bodar: “Ik schuw de publiciteit niet, maar ik denk echt niet elke dag: ik moet in de krant of voor de tv. Ik word nogal eens gevraagd en ik vind ook dat ik daar de kerk mee van dienst kan zijn. Als de kerk praat, is het vaak een bepaalde groep, zoals de Acht Mei Beweging. Ik verdedig naar buiten een andere kerk, die van Rome, de biddende kerk. Ik voel mij niet thuis in een kerk die vooral maatschappelijk bezig is, dan kun je net zo goed lid worden van een politieke partij.”

Volgens Dresden beschikt zijn oud-student over “een magnetische kracht om, buiten zijn schuld, moeilijkheden rond zijn persoon te creëren.” Zoals die keer dat Bodar weigerde een presentielijst te laten rondgaan tijdens zijn college. “Ik ga studenten niet controleren, ze komen of ze komen niet.” Dat was tegen het zere been van de voorzitter van de vakgroep. Of die keer dat Bodar tegen een studente zei: “Je mag bij de werkgroep komen, want er is iemand anders uitgevallen.” Dat is tegen de regels, werd hem te verstaan gegeven. Wintermans: “Hij roept weerstanden op, mensen vinden hem of geweldig of verschrikkelijk.” “Er zijn mensen die op mijn weg komen en mij zo haten dat ze mij het liefst kapot maken”, zegt Bodar.

Soms verkiest hij de ommuurde beschutting van de benedictijnerabdij in Vaals. Ondanks zijn bewondering voor de stichter van de jezuïetenorde, Ignatius van Loyola, heeft hij nooit overwogen tot deze orde toe te treden. “Ik bewonder de intellectuele traditie, maar ik heb ook de gestrengheid ervaren.” In Vaals bidt hij veel en voltrekken de dagen zich in contemplatie. Hij was er twee maanden in 1989, zoekend naar het antwoord op de vraag: toetreden tot deze orde en hier blijven of straks als priester in de wereld staan. Hij besloot tot het laatste. “Mijn gezondheid is niet sterk genoeg. Het leven in een abdij is zwaar, je moet bijvoorbeeld elke ochtend om half vijf op.”

De abt zei: “Jij bent een monnik in de wereld.” Een wereld waar niet iedereen op hem zat te wachten. In het bisdom Rotterdam, waar hij zijn priesteropleiding volgde, kreeg hij te horen dat hij alleen maar priester wilde zijn tot meerdere glorie van zichzelf. En dat hij dààr zeker niet gewijd zou worden. Weer weggestuurd. Uiteindelijk ontving hij zijn wijding in het bisdom Haarlem. Plebaan H.J. van Ogtrop: “Het was een eigenaardige plechtigheid. Meestal heeft een wijdeling een hele fanclub bij zich, Bodar kwam als een eenling. Hij kwam letterlijk van verre, want vrijwel niemand van ons kende hem persoonlijk. Ik ben ervan overtuigd dat hij de eerlijke wens had om priester te worden. Maar ik vind het niet zo leuk dat hij nogal solistisch optreedt. En ik vond het ronduit onverstandig dat hij snel na zijn wijding allemaal opvattingen ging debiteren over de kerk. Dat de priesteropleiding in Amsterdam niet deugde, omdat daar vooral veel sociologie gegeven zou worden. Dat is onzin, er wordt bijvoorbeeld heel veel aandacht besteed aan de Judaïca.”

Kort na zijn wijding volgde de aanstelling bij De Krijtberg. Een kerk waar het bidden in de stenen zit, zoals Bodar zegt. Waar veel parochianen hem waarderen omdat hij in zijn gebeden niet verwijst naar allerhande maatschappelijke problemen maar ernaar streeft in het gebed één te worden met God. “Met zijn welsprekenheid en charme heeft hij deze kerk gezicht gegeven. Hij doet dat fraai en met stijl, beter dan menigeen bij de jezuïeten”, zegt Huub Oosterhuis.

Voor wie niet beter wist, wàs Bodar De Krijtberg - althans die indruk werd veelvuldig in de media gewekt. Tot ongenoegen van zijn collegae aan wie zelden of nooit wat gevraagd werd. “De jezuïeten zijn verantwoordelijk voor deze kerk. Bodar heeft er een te groot stempel opgedrukt”, zei de woordvoerder van de orde onlangs voor de KRO-radio.

Veel parochianen schrijven hem bemoedigende brieven. De Stichting tot behoud van de Krijtberg probeert achter de schermen de orde te bewerken en Bodar voor hun kerk te behouden. “Nu praten zou onverstandig zijn”, zegt parochiaan A. de la Porte. Het liefst zou Bodar na zijn vertrek een eigen kerk hebben, geënt op Benedictus, de sobere, de milde. Maar eerst wil hij nog zijn doctoraal theologie doen en daarna een jaar naar Rome, als de universiteit van Leiden het goedvindt. Intussen put hij troost uit de woorden van Ignatius van Loyola: “Geef mij Uw liefde en genade, want die is mij genoeg.”