Haarlemse rugbyers na lange autorit als tamme eikels

Acht gespeeld, nul punten. Met die score gingen de rugbyers van RFC Haarlem, hekkesluiter in de ereklasse, gisteren op pad voor de uitwedstrijd tegen RCC uit Roosendaal. “We hebben ons voorgenomen voortaan niet meer te verliezen.” De uitwedstrijd, de eerste van een serie artikelen over sportploegen op reis.

HAARLEM, 6 NOV. De sporen van twee dagen terug zijn amper uitgewist. Stoelen staan lukraak opgesteld, plastic bekers slingeren op de grond en de zure bierlucht verraadt een stevig drinkgelag. De jaarlijkse mosselavond was vrijdag opnieuw een daverend succes en duurde als vanouds tot in de late uren. De grote schoonmaak laat voorlopig op zich wachten in de bedompte maar sfeervolle ruimte die de rugbyers zes jaar geleden eigenhandig uit de grond stampten op het Van der Aartsportpark.

Veel reden voor feestvreugde hebben ze eigenlijk niet, de spelers van de Rugby Football Club Haarlem. De ploeg bungelt onderaan in de ereklasse. De eerste acht duels gingen allemaal verloren en niet met de minste cijfers. Vorige maand won De Haagsche RC met maar liefst 98-9, twee weken later liepen de Delftse studenten met 59-7 over de nieuwkomer in de hoogste afdeling heen. “Maar die ploegen zijn onze doelgroep ook niet. Wij moeten het hebben van de onderste zes.”

Walter van Ling (26) slaakt een diepe zucht. De statistieken spreken voor zich. Dat kan de aanvoerder moeilijk ontkennen. De verzekeringsagent spreekt niettemin met de geestdrift van een winnaar. Want hopeloos is de situatie voorlopig nog allerminst, beweert hij monter. Vandaag heeft het Haarlemse vijftiental een goede kans de hatelijke nul weg te poetsen. Tegenstander is RCC uit Roosendaal, de ploeg die maar vier plaatsen hoger gerangschikt is. “We zijn aan ze gewaagd. Echt waar. Woensdag hebben we een hele goede pot gespeeld tegen Castricum en de voorsprong op het nippertje uit handen gegeven.”

Even na elven maakt het gezelschap - een bonte mix van oud-mariniers, politie-agenten en studenten - zich op voor het vertrek naar Brabant. Coach en oud-speler Willem van Eck ligt thuis ziek op bed en moet verstek laten gaan bij de uitwedstrijd met de meeste kilometers van het seizoen. Verspreid over zes personenwagens zet de stoet zich in beweging. De luxe van een spelersbus is niet aan de RFC besteed. Daarvoor ontbreekt het de club aan geld. “Dus zijn we op eigen vervoer aangewezen en mogen we ons gelukkig prijzen dat de meeste uitwedstrijden in de buurt van Haarlem zijn”, verklaart René Bakker.

Hij is behalve buitenspeler ook een van de vaste chauffeurs van het team. Zonder morren schikt Bakker zich in zijn dubbelrol. “Hoewel ik soms dat rijden wel eens jammer vind, want dat biertje na afloop moet ik dan laten staan.” De benzinekosten komen geheel voor zijn rekening. “Ik werk, dus ik kan het betalen.” Zijn drie collega's op de achterbank wijzen hem de weg. “Anders koers ik zo naar die andere plaats met dezelfde naam.”

Na ruim anderhalf uur waarin zowel het wereldnieuws als de sportieve sores van de RFC wordt besproken, bereiken de rugbyers de gemeentegrenzen van Roosendaal. Bakker rijdt prompt verkeerd en belandt bijna in België. Voor de zekerheid inspecteert het viertal de plattegrond en wordt de weg naar Sportpark Vierhoven vervolgens moeiteloos gevonden. De rest van de spelersgroep is inmiddels ook op de plaats van bestemming gearriveerd en gezamenlijk strekken de Haarlemmers de benen in een korte wandeling over het aangrenzende terrein. “We hebben ons voorgenomen voortaan niet meer te verliezen”, klinkt het hoopvol uit vele monden.

De tactische bespreking behelst niet meer dan enkele rauwe kreten. In de kleedkamer spoort Van Ling zijn ploeggenoten luidkeels aan tot fanatisme en daadkracht. “Kom op! Met het schuim op je bek! Net als woensdag! We kunnen het!”, schreeuwt de captain. Een enkeling zwachtelt het voorhoofd in met tape om te voorkomen dat de oren bij de scrum uitscheuren en tot 'bloemkolen' verworden. Daarna verlaten de blauwhemden een voor een het kleedlokaal voor de warming-up.

Het geloof in eigen kunnen krijgt al na een kleine twintig minuten een knauw als RCC de eerste try (5-0) van de wedstrijd maakt en Haarlem voor de zoveelste keer dit seizoen achter de feiten aanloopt. De tekortkomingen komen ook in Roosendaal opnieuw pijnlijk aan het licht: gebrek aan fysieke kracht, gebrek aan overtuiging en gebrek aan routine. Het handjevol supporters langs de kant vloekt en tiert net zo hard als de spelers zelf over de malaise binnen de lijnen. Vlak voor rust, bij een stand van 10-0 in het voordeel van RCC, trekt verzorger en tijdelijk coach Frank Bijlsma een zuinig gezicht. “Daar gaan we weer”, mompelt hij.

Roberto Fillipo wil na afloop van de negende nederlaag (20-5) op rij zijn mening even kwijt aan zijn uithijgende ploeggenoten. “We hebben als een stelletje tamme eikels gespeeld. Geen oorlog gevoerd!”, foetert de verontwaardigde international. Het merendeel troost zich echter met de gedachte dat het verlies ditmaal binnen de perken is gebleven. Van Ling houdt de moed er daarom in. Niets lijkt zijn ongeremde optimisme te kunnen verstoren. “We waren echt niet minder.” Wallie heeft zijn hoop gevestigd op de tweede competitiehelft als de zes onderste uitmaken welke twee clubs degraderen. “'t Mooie is: iedereen begint dan weer met nul punten. Dat betekent dat wij d'r dus nul moeten inleveren”, grijnst hij.

De kunst van het winnen zijn de Haarlemse rugbyers verleerd. Afgelopen seizoen regen ze in de eerste klasse de ene na de andere overwinning aaneen en zongen ze na afloop uit volle borst menig rugby-lied. Nu blijft het wachten op betere tijden. Van uitbundig zingen komt het al helemaal niet meer. Woensdag komt landskampioen DIOK op bezoek en maar weinig blauwhemden geloven in een goede afloop. “Ik zou wel weer eens willen voelen hoe het is om te winnen”, bekent Bakker na afloop in het clubhuis.

Paul Kromhout worstelt met andere vragen. “Ik vraag me af hoe dit verlies nu weer kan. Misschien is 't toch die lange reis. Bijna twee uur opgevouwen in een auto zitten terwijl je bovendien niks eet. Dan is het niet vreemd dat sommigen zo sloom als wat op het veld staan.” Terwijl zijn ploeggenoten zich laven aan het bier, houdt de jeugdinternational het bij een cola. Hij moet ook nog terug rijden.