Celstraffen zijn weer helemaal in

“Een volk dat alleen maar cellen bouwt, werkt niet aan de toekomst maar is slechts bezig zijn verleden te corrigeren”, zei de chef van de Amsterdamse recherche Welten tegen de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa. Nu hoort men het ook eens van iemand aan wiens motivatie om cellen te vullen niet valt te twijfelen. Het gevangeniswezen is natuurlijk net zo onmisbaar als de politie. Maar de professionals van het strafrecht weten als weinig anderen dat het gevaarlijk is om op de vrijheidsstraf te bouwen. Ook al is de cel weer helemaal in.

Dat laatste ondervond minister Sorgdrager (justitie) nog niet zo lang geleden. Zij had een commissie ingesteld om te adviseren over een “heroverweging van het strafrechtelijk instrumentarium”. Lees: alternatieve sanctievormen, mede om de druk op het gevangeniswezen wat te verlichten. In plaats van het accent op de vrijheidsbeneming wat te relativeren, concludeerde de commissie dat de nu al jarenlang durende uitbreiding van het gevangeniswezen nog niet ver genoeg gaat. Aan meer cellen valt volgens haar niet te ontkomen in belang van een minimale geloofwaardigheid van de strafrechtspleging.

Minister Sorgdrager mopperde dat ze wel wat meer “creativiteit” had verwacht. Dat was overigens heel wat gevraagd, want het thema van de strafrechtelijke vernieuwing is tegenwoordig zelfs bij zoals dat heet de gelovige criminologen niet erg en vogue.

De criminologie is tegenwoordig vooral “beleidsgeoriënteerd” en in deze oriëntatie is weinig plaats voor gedurfde alternatieven. Nu bestaat er ook wel zoiets als een “heenzendbeleid” (de citeria voor het vrijlaten van bepaalde gedetineerden om plaats te maken voor anderen). Maar dit geldt niet als een nuttig studie-object doch vooral als een “tegennatuurlijk instrument”, zoals het jongste jaarverslag van het openbaar ministerie met onverholen afkeer opmerkt.

Toch steekt de vraag of het strafrecht met steeds meer cellen niet op een doodlopende weg zit telkens weer de kop op. De Nederlandse vereniging voor criminologie heeft vorig jaar zelfs een heel congres gewijd aan de vraag “hoe punitief is Nederland” (een gelijknamige bundel onder eindredactie van M. Moerings is uitgegeven door Gouda Quint). Een eenduidig antwoord kwam, zoals te verwachten, niet uit de bus. Internationaal gezien is Nederland nog steeds zuinig met de vrijheidsstraf, maar de verschillen worden snel kleiner. De traditionele voorbeeldfunctie van Nederland brokkelt af, constateerden de Belgische criminologen H. Tubex en S. Snacken teleurgesteld.

Het geijkte weerwoord is dat de criminaliteit nu eenmaal steeds erger wordt. “Het gaat om steeds zwaardere zaken”, aldus het openbaar ministerie in zijn jaarverslag. Dat antwoord is echter “veel te simplistisch”, betoogde Snacken in een boek met de sprekende titel Barstende muren dat zij in 1993 met haar collega's Beyens en Eliaerts publiceerde over het probleem van de cellennood. Er is wel degelijk ruimte voor strafrechtelijk beleid. Een goed voorbeeld in Nederland is het rijden onder invloed. Nog niet zo lang geleden werd daarvoor in meer dan de helft van de zaken een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd. Nu gebeurt dat nog maar in drie procent van de gevallen. Toch is dronken rijden niet opeens een bagatel geworden. Justitie is er alleen anders tegen aan gaan kijken.

Ook internationaal bezien is er wel degelijk enige ruimte. De demografische en economische ontwikkeling in de Westerse landen is de afgelopen tijd vrij gelijklopend geweest, noteren de drie Belgische criminologen. Toch zijn er verschillende landen waar de vrijheidsstraf in deze periode flink is aangepakt. Dat geldt vooral voor “zware gebruikers”, zoals Duitsland, Oostenrijk en Finland.

“Ontsnappen aan de gevangenis”, heet dat in een korte studie die het onderzoekscentrum van het ministerie van justitie wijdde aan Europese pogingen de korte vrijheidsstraf terug te dringen. Met name Duitsland heeft daar in de jaren tachtig veel werk van gemaakt. Een half dozijn Europese landen heeft de oplegging van korte vrijheidsstraffen onderworpen aan speciale wettelijke beperkingen.

Het gaat echter wel steeds om korte vrijheidsstraffen en het blijft de vraag of dit kwantitatief veel zoden aan de dijk zet. De druk op het gevangeniswezen is toch vooral een gevolg van de klimmende strafmaat in de zware zaken. Een zakelijke discussie daarover is buitengewoon lastig. De strafbehoefte is een elementaire menselijke aandrift en van alle tijden. Met reden herinnert de Utrechtse hoogleraar strafrecht Kelk in de congresbundel er echter aan, dat het opleggen van sancties door de overheid een bewuste activiteit is: “een opzettelijke leedtoevoeging”. Er zit altijd een denkpauze in. Die noemen wij berechting.

Nederland heeft het element van de denkpauze in de berechting nog versterkt door de oordeelsvorming geheel op te dragen aan een korps academisch gevormde, benoemde magistraten. Wij moeten niets hebben van gekozen rechters of officieren van justitie, laat staan van juryrechtspraak. Zeker dat laatste is internationaal gezien allesbehalve vanzelfsprekend, merkte de Groningse hoogleraar rechtssociologie Griffiths in het Juristenblad van 20 oktober op naar aanleiding van de opwinding over de uitspraak in de zaak-O.J. Simpson. De diepe Nederlandse afkeer van juryrechtspraak die toen, niet voor het eerst, naar boven kwam, deed hem denken aan de ouders die hun zoontje als soldaat in een peloton zien voorbijmarcheren en uitroepen: “Everyone is out of step but our Johnny!”.

Kenmerkend voor onze rechtspraak en de Nederlandse politieke cultuur in het algemeen is volgens Griffiths “een diepgeworteld ontzag voor (vermeende) deskundigheid”. De snier tussen haakjes geeft al aan dat daar nog een hele discussie over valt te voeren. In elk geval kan het niet geheel toevallig zijn dat Nederland zowel wat strafklimaat als strafrechtspleging internationaal enigszins uit de pas loopt. Er is kennelijk een verband tussen het sterke vertrouwen in professionele rechtspleging en een terughoudend gebruik van de vrijheidsstraf. Een zuinig strafrecht verdraagt zich slecht met populisme.

Toch lijkt ook de rechterlijke macht te zijn aangestoken door het geloof in de celstraf. Ook al “is er geen enkele aanwijzing dat lange straffen enige invloed hebben op de omvang van de criminaliteit, of althans meer invloed dan andere zaken zoals preventie, daadwerkelijke resocialisatie-inspanningen en goede sociale voorzieningen”. Dit schrijft M.M. Kommer van het wetenschappelijk onderzoekscentrum van het ministerie van justitie in een recent nummer van het blad Justitiële Verkenningen over gevangeniscapaciteit. Volgens deze onderzoeker “valt niet in te zien waarom niet alle vrijheidsstraffen met tien of twintig procent bekort zouden kunnen worden”.

Dat is een mooie, algemene - en daardoor ongevaarlijke - stelling. De vraag is hoe dat dan in de praktijk zou moeten. In zijn afscheidscollege als hoogleraar forensische psychiatrie in Utrecht deed F.H.L. Beyaert vorige maand daarover een ingenieus voorstel. Dit richt zich niet in de eerste plaats tot de rechter, maar tot het openbaar ministerie dat met zijn requisitoir in elke strafzaak de sleutel tot de strafmaat in handen heeft. Geef iedere officier van justitie een “strafjarenbudget”, stelt Beyaert voor: als hij almaar lange of zeer lange straffen eist, moet hij uitkijken en moet hij dus, net als iedereen met zijn huishoudgeld, zorgen dat hij toekomt met het toegemeten budget.

Deze vorm van budgettering is in de volksgezondheid al heel gewoon. Hij past heel goed bij de tegenwoordig in justitiële kring zo populaire voorstelling van de rechtspleging als “strafrechtsbedrijf”. Of is dat alleen maar modieuze retoriek?