Waar zijn de 'feiten, feiten en feiten' van Borst?

Een bericht in NRC Handelsblad van 1 november: “Zorgsector zit met tekort van 315 miljoen”. Een rapport, opgesteld door een onderzoekscommissie onder leiding van prof.dr. A. van der Zwan, werd met deze conclusie gepresenteerd tijdens het Nationaal Debat Gezondheidszorg in Utrecht.

Minister Borst gaf, alweer blijkens dit persbericht, een nogal laconiek commentaar, enigszins in de trant van primus Kok. Zij vond een en ander onvoldoende onderbouwd en vroeg om “feiten, feiten en feiten”.

Men kan zich bij dit laatste in gemoede afvragen of hier geen sprake is van omkering van de bewijslast en, minder in gemoede, of men hier niet te maken heeft met een uitzonderlijk staaltje van demagogie en arrogantie. Het mankerende bedrag van 315 miljoen gulden komt namelijk overeen met de door het kabinet aangedragen beknotting in de reguliere jaarlijkse groei van ons aller gezondheidszorg en de kosten daarvan. Uit het geschrift Zorg in Nederland 1995 van de hand van beide bewindsvrouwen op het departement van VWS laat zich het volgende citeren (p.6): “De zorgsector moet verzekerd zijn van voldoende groei in het volume van zorg om te kunnen voldoen aan de groeiende behoefte”.

Dat klinkt veelbelovend. Maar dan komt er ineens een bizar oortje op het muisje uit de lucht vallen. “Voor de komende jaren is er een groei van 1,3 procent voorzien. De afgelopen jaren was de werkelijke groei echter 1,8 procent. Dat verschil wil het kabinet op een verantwoorde manier wegnemen door een strak programma van volume- en uitgavenbeheersing. Pas nadat onomstotelijk is gebleken dat de groei niet tot 1,3 procent valt te beperken, ondanks dat programma, is het kabinet aan nadere afweging toe.” De vraag dringt zich op, hoe men deze ingreep in de werkelijke groei kan verwerkelijken zonder slachtoffers te maken. Bijvoorbeeld in de zin van uitgestelde diagnostiek, resp. behandeling?

Adviescommissies, departement en kabinet hebben hier wellicht veel intellectuële calorieën aan besteed, maar hier is vooralsnog weinig aan te merken, getuige het volgende. Voor zover na te gaan bestaan er twee categorieën 'feiten', een categorisch samenraapsel van ad hoc-maatregelen inzake prijsbeheersing en een toekomstvisie, getiteld “Modernisering curatieve zorg”.

De prijsbeheersing beslaat allereerst de afslanking van het ziekenfondspakket, via beknotting of eliminatie van vergoedingen inzake tandheelkunde, anticonceptiepil, physiotherapie en slaapmiddelen (!). Men kan hier nauwelijks een waarde-oordeel over geven, anders dan dat dit micro-economische 'beleid' weinig verlicht aandoet, met name de minder bedeelden in onze samenleving.

Daarnaast blijkt het koeioneren van onze vaderlandse farmaceutische industrie op onbekommerde wijze te worden voortgezet: hier is niets nieuws of paars aan, want de guerrilla tussen departement en industrie duurt al jaren, afgezien van korte wapenstilstanden in 1989, 1992 en 1994. Het enige verschilpunt is, dat er nu in 'Zorg in Nederland' aperte onwaarheden worden gedebiteerd.

De bewering dat de geneesmiddelenprijzen stijgen kan direct worden weerlegd. Ook de stelling dat de prijzen alhier tientallen procenten hoger liggen dan in die andere Europese landen is gezien de defecte vergelijkingsbasis zo lek als een mandje. Daarnaast wordt het feit genegeerd dat de kosten van geneesmiddelengebruik de veel hogere kosten van ziekteverzuim, ziekenhuisverpleging, operatieve ingrepen, e.d. op grote schaal compenseren. Wij spreken voortdurend over inter-departementale ontschotting, maar wie zet nu eens de bijl aan de intra-departementale schotten? De minister wellicht?

De toekomstvisie zou in feite moeten onthullen hoe op een minder opportunistische basis de beknotting in de compensatoire groei zou kunnen worden gerechtvaardigd. Op zoek naar feiten gaande in de desbetreffende ministeriële nota 'Modernisering curatieve zorg' raakt men helaas per pagina meer en meer ontgoocheld.

De ambtelijke turbotaal kan niet verhelen dat er een immense kloof gaapt tussen paars opportunisme en grauwe werkelijkheid. Wat bijvoorbeeld te denken van de door de minister gevergde 'feitelijke grondslag' in de volgende zinsnede: “De landelijke overheid moet waar mogelijk binnen bepaalde kaders ruimte scheppen waarbinnen de direct betrokkenen (patiënten en consumentenplatforms, zorgverleners, verzekeraars) tot zelfordening komen”. Welk een feitenloze vrijblijvendheid; het CDA credo van weleer steekt daar als een betonnen structuur bij af!

Gelukkig viel er in deze ministeriële nota één enkele oer-hollandse zin aan te wijzen, die ik vanuit mijn optiek gaarne als oer-paars zou willen kwalificeren en die ik gemakshalve aan staatssecretaris van Sport toeschrijf: “Kortom, het kabinet heeft een voorzet gegeven - kan ook niet meer dan dat - in het veld moeten de doelpunten worden gemaakt”. Deze enkele zin, die niet aan het brein van een ambtenaar kan zijn ontsproten, kenmerkt de ratio van de terugtreden overheid en verdient boven ieder bureel ter departemente te worden opgehangen.

Onverlet blijft hierbij de wedervraag aan de minister: waar zijn uw feiten, feiten en feiten?