Van bijgeloof tot rijksgeloof

DANNY PRAET: De God der goden. De christianisering van het Romeinse Rijk

240 blz., Kok Agora 1995, ƒ 35,-

Onder de ietwat misleidende titel De God der goden is een interessant boek verschenen over wat in de ondertitel wordt genoemd: de christianisering van het Romeinse Rijk. Die titel wekt de indruk dat de schrijver de triomf van het christendom uitbazuint, het boek zou dan een soort bewijsvoering van de superioriteit van de christelijke God zijn. Maar dat is niet de bedoeling, juist niet, kan ik wel zeggen. Het gaat om het antwoord op de vraag hoe een zo obscure beweging als de - zeg maar - 'Jezus-beweging' binnen drie eeuwen zo'n grote vlucht kon nemen, dat de geschiedenis van Europa voor een groot deel in termen van de geschiedenis van het christendom kan worden beschreven. Een historische verklaring dus, daarop is het boek uit.

De schrijver is zich van het problematische van historische verklaringen bewust, gelukkig. Zijn boek kan zelfs worden opgevat als een rechtstreekse bemoeienis met dat probleem, als verzet tegen het 'historisch agnosticisme' van sommige geschiedbeoefenaars, die onder invloed van de postmodernistische causaliteitskritiek van elke mogelijkheid tot historische verklaring afstand doen: een historicus vertelt alleen, hij verklaart niets. Toegepast op de opkomst van het christendom betekent dat, bijvoorbeeld voor de Franse historicus Paul Veyne, dat het succes van het christendom in de toenmalige wereld 'onverklaarbaar' moet heten.

Het merkwaardige is dat zo'n opvatting ons weer terug voert naar de vrome geschiedschrijvers uit vorige eeuwen, voor wie de opkomst van het christendom eveneens onverklaarbaar was, maar dan in termen van een religieus mysterie: Gods voorzienig bestel hielp het christelijk geloof aan de overwinning op zijn tegenstanders; op momenten van onoplettendheid werd het voorzienig bestel zelfs ingewisseld voor een bovennatuurlijke ingreep van God. Dat de auteur daar niet aan wil, siert hem. Niet dat gelovige mensen God uit het geschiedenisverhaal moeten schrappen, maar verklaren met behulp van God (in welke versie van zijn handelen dan ook) is verklaren in termen van je eigen theorie en dat is, zacht gezegd, ongewenst: je hebt bij voorbaat al gelijk, en dat zelfs onweerlegbaar, omdat het om een geloofstheorie gaat.

Resumé

Genoeg hierover, nu het boek zelf en zijn auteur. We lezen op de flap dat Danny Praet, gepokt en gemazeld in de klassieke filologie, als onderzoeker (vakgebied protoromaans en postklassiek Latijn) verbonden is aan het (Belgische) Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. Ik vermeld dat erbij omdat het boek op basis van dit specialisme is geschreven. Het is geen zelfstandig historisch onderzoek (dat merkt de lezer gauw genoeg), maar een even knap als handig resumé van wat er over de vroege christenheid aan onderzoek op tafel ligt. De lichte negatieve ondertoon in deze bewoordingen bedoel ik ook, het boek heeft iets onrijps, maar is desondanks de moeite van het lezen meer dan waard, niet alleen vanwege die intrigerende vraag naar het succes van het christendom, maar ook omdat we alles op een rij krijgen: de hele serie theorieën die zich daarmee, en met de verklaring ervan, hebben beziggehouden. Hoe gaat de schrijver te werk?

De 'zoekvraag' waarmee hij op pad gaat, luidt: wat maakte het opkomend christendom aantrekkelijk in de ogen van de heidenen? De term 'heidenen' dan niet evaluerend maar beschrijvend bedoeld, ze staat voor de niet-christelijke (maar alleszins religieuze) wereld van de antieke cultuur, de concurrentie, zeg maar. Zo'n vraag is vakwerk, er zijn boeken te over waarin christenen uiteenzetten wat het christendom aantrekkelijk maakt, maar wat ze ook mogen bijdragen aan het antwoord, ze helpen het onderzoek niet verder. Het gaat erom wat de van huis uit niet-geïnteresseerden van gedachten deed veranderen, of nog sterker (want het moest van nog verder weg komen): wat maakte dat het christendom bij niet-geïnteresseerden 'in the picture' kwam?

Voorbode

Bij de antwoorden op die vraag horen ook de speculaties over 'de volheid des tijds', een uitdrukking die de apostel Paulus gebruikt (Ef.1,10) om de verschijning van Jezus Christus als het momentum van de geschiedenis aan te duiden. Wat maakte dat de tijd 'vol' was, zeg maar 'rijp' voor het christendom? In elke klassieke christelijke dogmatiek werd die vraag vroeger besproken. Ook Praet gaat erop in, noemt dezelfde factoren die begunstigend werkten: de aanwezigheid van joden door heel het Romeinse rijk, de christenen hadden daar een aanknopingspunt mee in handen, een soort voorbode. Verder de politieke eenheid van het Rijk en niet het minst de hellenistische eenheidscultuur, met als drager het zogenoemde 'koinè-Grieks' waarvan men zich in alle delen van het Rijk bediende (ook het Nieuwe Testament is in dat soort Grieks geschreven). Voor de klassieke dogmatische betogen stond vast: dank zij Gods leiding was de wereld een toebereide akker voor het christelijke geloof geworden. Praet bespreekt deze gegevens als seculiere factoren.

Wat het christendom aantrekkelijk maakte voor de toenmalige wereld, was de eigenlijke vraag. Praet is niet de eerste die zich aan het beantwoorden waagt. Hij maakt van zijn voorgangers een dankbaar gebruik, volgt daarbij het procédé dat hij de ene theorie kritiseert met behulp van de andere (ik zei al dat hij een handige auteur is) om tenslotte dan, via afweging, nuancering en kritiek, zijn eigen mening over te houden. Alles op basis van de nieuwere literatuur, wie het leest is weer bij.

Was het de christelijke leer die de mensen voor het christendom innam? Christelijke auteurs geven, vanaf het moment dat het christendom schrijvers bezat, vaak die indruk, maar die voorstelling van zaken klopt niet. Het christendom is de enige religie die van haar leer een geloofsverplichting heeft gemaakt en hoe verder die leer wordt uitgewerkt en verfijnd, des te groter en voor de meeste mensen onbegrijpelijker wordt het aantal van die verplichtingen. Dat kan het dus niet geweest zijn, van de leer smullen alleen theologen.

Ook de door sommige kerkvaders zo begunstigde opvatting dat de vervolgingen het christendom groot maakte, is bij nader inzien niet zo overtuigend als zij vaak wordt voorgesteld. Afgezien van het feit dat we ons de vervolgingen vaak meer als pogroms en razzia's moeten voorstellen - was het bloed der martelaren werkelijk, om met de kerkvader Tertullianus te spreken, 'het zaad der kerk'? Als die leuze verklarende kracht zou bezitten, zou ze ook moeten opgaan voor de martelaren die onder christelijke hand moesten sterven, de zo bitter vervolgde ketters en 'scheurmakers' uit alle eeuwen. Maar dat is kennelijk niet het geval geweest.

Caritas

Meer waarde moeten we, volgens Praet, toekennen aan de wonderwerken, de exorcismen, kortom: aan de indruk die het vertoon van religieuze krachttoeren op de mensen maakten. Reeds in het Nieuwe Testament komt dat gegeven al voor als een kracht die tot bekering leidt: een missionaris als Paulus is de boze geesten meester en 'wie een meester heeft is niet god'.

Men is het er in het algemeen over eens dat de doorslaggevende factoren gelegen hebben in, enerzijds, de saamhorigheid, het opkomen voor elkaar, in katholieke termen de 'caritas'. Het verschafte sociale geborgenheid aan de leden en identiteit: men was iemand naar wie werd omgekeken. Daaraan parallel loopt een uitgesproken universalisme, de grote kracht van het vroege christendom: 'In Christus' - zei de apostel immers - is geen sprake meer van jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk, allen zijn één in Christus. Dat betekende dat het geloof niet, zoals bij de meeste heidense culten, aan etnische, maatschappelijke of geslachtelijke beperkingen was gebonden: men werd in de gemeenschap der christenen aanvaard als de persoon die men was. Met enige weemoed kijkt men vandaag naar die tijd terug.

Tot zover het thema van de bekering tot het christendom. Uitvoeriger nog bespreekt Praet de periode die daarna komt en die hij de bekering van het christendom noemt. Dat gedeelte gaat over de prijs die het christendom betaalde om cultureel, maatschappelijk en politiek aanvaard te worden. Het nam de kleur aan van zijn omgeving, werd hellenistisch, Romeins, later Rooms (en is dat voor een groot deel nog).

De krasse voorbeelden van overname, inbeslagneming en adaptatie van heidense riten en culten die het boek biedt, zijn onthutsend. Maria neemt 'de duizend namen' van Isis over, en droeg eertijds Kybele, de moeder der goden, de trotse naam 'theotokos' (moeder Gods), thans gaat die naam over op Maria. Het christendom heeft, om Praet het woord te geven, zijn eindoverwinning behaald door een geleidelijke verbreding van zijn aantrekkingskracht, via het kopiëren en integreren van die kenmerken van de rivaliserende culten die nog de grootste survival value hadden in het bevredigen van de religieuze noden van de antieke mens. En door de politiek van de Romeinse machthebbers, kunnen we eraan toevoegen.

De kerkvader Eusebius (gestorven in 339), die als de eerste kerkhistoricus geldt, overdrijft, als hij de bekering van Constantijn de Grote beschrijft als een religieuze overstap. Het ging deze keizer meer om de politiek: het herstel van de eenheid van het Romeinse rijk met behulp van het christendom als begunstigde godsdienst. De later keizer Theodosius veranderde 'begunstigd' in 'enig toegelaten godsdienst'. De bordjes waren verhangen, nu werd de heiden vervolgd en uit zijn heiligdom gejaagd.

Hoever het met het christendom als 'rijksgodsdienst' ging, daarover zijn de meningen verdeeld. In elk geval weet iemand als Augustinus er niets van. Voor hem hoorde het Romeinse rijk bij de aardse rijken, en die zijn in principe 'roversbenden', waaraan je als christen alleen kunt meedoen als je er sporen van gerechtigheid in vindt. Het neemt niet weg dat het christendom zijn definitieve uitbreiding meer te danken heeft aan politieke, maatschappelijke en juridische factoren. Zelfs de christelijke dogma's zouden zonder bemoeienis van keizers en caesaren niet geweest zijn wat we er vandaag van over hebben. Historisch onderzoek, zo blijkt, zou het christendom bescheiden kunnen maken. Misschien is het toch wat minder exclusief, wat meer op algemene religiositeit geënt dan de kerkleraren voorgeven.

Bezinningsvraag

Wat ik mis in het boek? De organisatie van de christelijke kerk in termen van de hiërarchie, tot op vandaag het instrument waar de Romeinse curie op gokt voor haar overleving, de hiërarchie die van het beton gewapend beton maakt. Praet heeft het er wel over maar te weinig.

En wat overblijft? Ten eerste een vergelijking met de manier waarop het jodendom zich verbreidt (geen missie) en de islam (gewapende missie). Het christendom staat daar ergens tussen in. En ten tweede een bezinningsvraag. Missie is altijd aanpassing, blijkt ook alweer uit dit boek. Geloof in a-culturele, onhistorische vorm bestaat niet, ook het christendom kennen we niet in een 'rein-cultuur'. Dus wat is het christendom eigenlijk? Of is zo'n vraag, juist in het licht van historisch onderzoek, verkeerd gesteld?