Un homme révolté

Het stinkt hier!' Degene die dit riep was zo te zien een keurige man van een jaar of veertig, donkerblauw pak van conservatieve snit, gepoetste schoenen. Hij droeg een ouderwetse aktentas, had ook een wat ouderwets gezicht, bleke gelaatskleur en een zwart puntsikje. Hij had een nazaat van de Hertog van Alva kunnen zijn. Het was in de tram, de ochtendspits. Nauwelijks stond hij op het achterbalkon of hij had het geroepen. Met grote passen beende hij naar voren, links en rechts de klapraampjes open rukkend.

Alle passagiers deden of ze niets hadden gezien of gehoord; ze bleven naar buiten kijken of doken dieper in hun krant, daarmee stilzwijgend zijn gezag erkennend. In zo'n geval erken je het gezag het best door je mond te houden. Hij had nu ook het voorste raampje open gerukt. Achterin werd alweer op gedempte toon van gedachten gewisseld. Bij de volgende halte stapte hij uit, waarschijnlijk om de volgende tram te gaan zuiveren.

Eerst dacht ik: een aanwinst voor mijn collectie. De laatste tijd verzamel ik tramzonderlingen. Sommigen heb ik in vorige stukjes gebruikt: de zakkenroller wiens hand ik in mijn jaszak aantrof en die O, pardon zei; de damesaanpakker die zich op een drukke halte posteert en vrouwen helpt in- en uitstappen; de junks die achterin gaan zitten chinezen; de speedpillenslikker die op het middenbalkon gymnastiek doet; de mevrouw die handgeweven kleding draagt en in haar eentje zonder onderbreking haar verontwaardiging tegen alles en allen lucht; de man met kapiteinspet die speelt dat het achterbalkon de brug van een zeekasteel is; nog veel meer. Allemaal alternatieve gezagsdragers die de passagiers tot hun stille onderdanen maken. Zoals het ook vaak met het gewone gezag is: je erkent het zonder precies te weten waarom, behalve dan dat je op deze manier allerlei moeilijkheden vermijdt. Het is een soort belasting betalen door je mond te houden.

Maar deze keurige heer met aktentas had een andere allure; een kern van redelijkheid in zijn optreden. Ik zou niet zo vlug zeggen dat het in de tram 'stinkt', en zeker niet in de trams van de ochtendspits. Maar het is wel duidelijk dat steeds meer mensen zich steeds geuriger maken voor ze de straat opgaan. Om een voorbeeld te noemen: een man die zijn kaken 's ochtends had gladgeschoren, gebruikte vroeger een reukloos blokje aluin voor de nabehandeling. Daarna kwamen de 'scheerwaters': pytralon, iceblue, alcoholhoudend maar nog altijd betrekkelijk reukloos. Met Old Spice verscheen een nieuwe generatie. Wie dat op zijn gezicht depte wilde zich modern manifesteren, dieper geursporen trekken, bewust de neus van de ander be-reiken, zoals de fenomenologen het noemden.

Toen brak het ik-tijdperk aan. Het zou me niet verbazen als dat gepaard is gegaan met een nieuwe bloei van de geurenindustrie. Ik weet dat de geschiedenis van het parfum teruggaat tot de oude Egyptenaren en nog vroeger, en welke rol het heeft gespeeld bij het petite levée en het grande levée van Lodewijk XIV om de hovelingen op de been te houden, en hoe belangrijk de geuren in de literatuur zijn, en dat Chanel 5 in 1921 is uitgevonden of samengesteld. Over wat er in de alchemistenkelders aan proeven wordt gedaan om geuren te scheppen die de diepste instincten van de ruiksters en ruikers zullen bereiken, heb ik niet eens meer mijn vermoedens. De reclame laat eerlijk weten wat de bedoeling is. Maar dat is hier het vraagstuk niet. Het gaat me erom, in welke mate meer mensen bereid zijn, zich van markanter geuren te bedienen. Aan de orde is als het ware de sociale geschiedenis van het parfum. Als ik om me heen ruik kom ik tot de slotsom dat het in alle opzichten hand over hand toeneemt.

Het parfum, in al zijn vormen, van deodorant en after-shave tot de meest geraffineerde Diors en Chanels, heeft zich ontwikkeld tot een wapen in het persoonlijk imperialisme, zoals dat ook het geval is met de quadrofone geluidsinstallatie van de passerende auto, het gaspedaal, de felle kleuren en de voet die op de tegenover liggende bank wordt gezet. De kunstmatige geur is een soort onzichtbare paddestoelwolk die de mensen voortdurend meedragen om de anderen nog eens van hun aanwezigheid op de hoogte te stellen; het tegendeel van de Tarnkappe. Het gaat dus niet meer om het oude 'lekker ruiken'; het is een Denk erom want hier ben ik! en ik zal u daarvan eens stevig laten meegenieten. Dat gebeurt je nu in de meeste afgesloten beperkte ruimten, zoals liften, treincoupés, wachtkamers en de tram. Het is alsof via onze neus, oren en ogen in het voorbijgaan een dictator zich in ons hoofd wil vestigen.

Als we dit beseffen wordt het gedrag van de man die ik aan het begin van dit stukje noemde, opeens veel begrijpelijker. Hij wil niet ondergaan in andermans particuliere dompigheden, of die nu 'objectief' lekker ruiken of niet. Ook de heerlijkste geur wordt, imperialistisch gebruikt, een oorzaak van verzet. Als in de ochtendspits een stuk of veertig geurimperialisten in één tram zitten, is dat voor de vrijheidslievenden onder ons een reden tot daadwerkelijk verweer. Onder deze omstandigheden valt dan niet meer te doen dan het eigenmachtig openen van alle raampjes. Wilt u mij met uw aanwezigheid verstikken? Goed! Dan zal ik u op de tocht zetten!

Daarmee heeft hij kundig gebruik gemaakt van een ander eigentijds verschijnsel dat ik het je kunt nooit weten noem. Iedereen die zich in een openbare ruimte met voldoende obstinate geladenheid gedraagt kan er zeker van zijn dat hij een psychisch vacuüm om zich heen schept. 'Je leest zoveel tegenwoordig', hoor je de mensen denken. 'Er kan van alles gebeuren.' Deze man die alle raampjes opende, is de tramversie van Camus' Homme révolté, namelijk un homme qui dit non. Zo herovert hij het initiatief. Mijn respect.