Techniek

Hoe staat het met de vanouds beleden journalistenmoraal om de bronnen aan te geven die bij het schrijven van een artikel zijn gebruikt? Kan het door de beugel dat Dick van Eijk (boekenbijlage 28 oktober) de tweede helft van zijn bespreking van Lintsens (e.a.) Geschiedenis van de Techniek baseert op de tekst van lezingen van A.P. Oele, E. Horlings en C.A. Davids zonder hun namen te noemen?

Wat is het geval. Op 13 mei j.l. hebben genoemde sprekers, naast enkele anderen, de serie over de geschiedenis van de techniek kritisch tegen het licht gehouden op een door 120 personen bezocht congres in het Techniekmuseum te Delft. De voorlopige versies van hun voordrachten zijn reeds vóór het congres door Harry Lintsen en ondergetekende ten behoeve van een afrondende recensie van het zesde en laatste deel aan de Volkskrant en aan Dick van Eijk verstrekt. Waar in de recensie in de Volkskrant van 10 juni de belangrijkste bron (Davids) met nadruk wordt genoemd, kiest de laatste er helaas voor de herkomst van zijn kanttekeningen geheel in het midden te laten. De genoemden verdienen beter, want hun ideeën - en die van de andere sprekers S. Schuurman en B. Theunissen - zijn interessant genoeg.

Gelukkig zal ieder dat binnenkort zelf kunnen constateren, daar de teksten van de voordrachten in december integraal in de tijdschriften Gewina en NEHA-Jaarboek zullen worden gepubliceerd. Dan zal ook duidelijk worden dat het 'ingewikkeld(e) evaluatie(proces)' dat Van Eijk onder de tussenkoppen 'Dynamiek' en 'Voorbeeldfunctie' onderneemt slechts een schijnbare primeur is. De echte primeur dateert van 13 mei.

Naschrift redactie:

Niet Dick van Eijk maar de redactie van de boekenbijlage treft hier blaam. In het eindredactionele proces zijn de door Van Eijk wel degelijk genoemde bronnen ten onrechte geëlimineerd. Onze excuses daarvoor.