Straf op zee

E.A. BIK en D. ROOS: Kromsluiting in de ijzers. Uitspraken van de Raad van Tucht (voor de koopvaardij) 1856-1909

192 blz., geïll., De Bataafse Leeuw 1995, ƒ 53,-

Wormstekige proviand, dronken kapiteins en handtastelijke bootsmannen zijn niet door Jan de Hartog bedacht. Dergelijke en ergere misstanden kwamen werkelijk voor op de negentiende-eeuwse Nederlandse koopvaardijschepen, en wanneer een passagier, reder of bemanningslid zich daarover wilde beklagen kon hij destijds terecht bij de Raad van Tucht. Uit de honderden uitspraken van deze raad is een boekje samengesteld onder de fraaie titel Kromsluiting in de ijzers.

Onder kromsluiting in de ijzers verstond men het vastketenen van een opvarende in voorover gebogen of anderszins oncomfortabele positie. Het slingeren en stampen van het schip maakte de straf tot een waar oordeel, dat volgens de regels dan ook niet langer dan drie dagen mocht duren.

Aan die regel had een in 1865 voor de raad gedaagde kapitein zich niet gehouden. Hij had een 'wederspannige' matroos vastgeklonken, omdat deze weigerde verder te werken na degradatie tot lichtmatroos. De verregaande koppigheid van zowel kapitein als (licht) matroos resulteerde in een kromsluiting van maar liefst 45 dagen. Een deel van deze tijd moest de arme man ook nog doorbrengen op het middendek, in de brandende zon - het schip voer op Batavia.

Geradbraakt toog de lichtmatroos uiteindelijk aan het werk, maar na terugkomst in Nederland sleepte hij zijn kwelgeest voor de Raad van Tucht. Die veroordeelde de kapitein op niet mis te verstane wijze: hij had 'de plichten der menschelijkheid verregaand vergeten', niet om de orde te bewaren, maar 'uit louter zucht tot mishandeling' en 'gekwetste eigenliefde'. Hij mocht tien maanden niet varen en diende de proceskosten van 78 gulden te betalen.

Kromsluiting in de ijzers biedt een aardige staalkaart van misdragingen, rampen en ruzies aan boord van Nederlandse schepen, maar om nu te spreken, zoals de flaptekst doet, van een 'onderkoeld en waarheidsgetrouw beeld' van 'deze aspecten van het zeemansleven' gaat wat ver. Het blijft namelijk geheel onduidelijk hoe representatief de door de Raad behandelde klachten zijn. Om te beginnen is het aantal klachten nogal gering: gemiddeld vier per jaar. Ging er zo weinig mis in de Nederlandse koopvaardij? Of durfde men toch niet zo snel te klagen? Of werden conflicten vooral binnenskamers opgelost? De lezer blijft in het ongewisse.

Opvallend is bovendien dat de merendeels uit (oud)-kapiteins bestaande Raad vooral in de eerste periode van zijn bestaan opvallend veel aangeklaagde gezagvoerders fiks bestrafte. Dronkenschap, afranselen met de buillepees, al te rappe ontvluchting van het zinkende schip - de Raad maakte duidelijk dat dergelijke misdragingen geheel tegen de heersende mores ingingen. Dat roept de vraag op hoe vaak ze dan voorkwamen. Die vraag hebben de auteurs zich echter niet gesteld.

De afgewezen klachten zijn eigenlijk interessanter, omdat ze tonen wat de Raad wel acceptabel achtte. Hij besliste bij voorbeeld in 1901 dat de stokers - het 'zwarte koor' - van het stoomschip Maria niet hadden moeten zeuren over het onwelriekende pekelvlees dat zij kregen voorgezet. Het was zestien maanden na aanschaf weliswaar niet helemaal fris, maar “niet in die mate bedorven dat de gezagvoerder het als volstrekt onbruikbaar moest beschouwen”. Ook wilde de Raad niet vallen over de welig tierende maden in het scheepsbeschuit; dat was 'niet altijd te vermijden'.

Kromsluiting in de ijzers gunt de lezer enkele aardige en onverwachte inkijkjes in de dagelijkse werkelijkheid, maar blijft wat steken tussen bronnenuitgave en monografie. De auteurs, beiden oud-zeeman, zijn duidelijk dol op hun archief; ze vermelden met graagte namen, data, bestemmingen en andere details, zonder dat duidelijk wordt waarom de lezer dat alles moet weten. Ze verwachten overigens ook dat die lezer niet opkijkt van 'ondermarszeilen' en 'kluivers' of een zeekaart die 'een gewone overzeiler' blijkt. Een boek, kortom, voor de ingewijden.