Sterretjes

Planten kunnen vreemde associaties oproepen. Er is er een in mijn tuin die me doet denken aan de Chinese wijk van Parijs, een gebied in het zuiden van de stad met hoge flatgebouwen en daartussen Chinese supermarkten, kapsalons en rijscholen. Ook, naar verluidde, illegale goktenten in de torenflats zelf. En zowaar, op een gebouw waar ik vaak langskwam zat een opschrift in het Chinees dat reclame maakte voor 'Speelzaal de Blauwe Lotus'; het interessante was dat het karakter dat 'spelen' betekent, onleesbaar was gemaakt - je mag in Frankrijk niet zomaar een casino openen - en vervangen door twee sterretjes. Zoiets kan alleen maar in het Chinees; in het Frans of het Nederlands zouden die sterretjes midden in een opschrift veel zonderlinger zijn.

Een van de voornaamste verkeersaders in dat stadsdeel is de avenue de Choisy, en wanneer ik kijk naar mijn exemplaar van een groenblijvende heester genaamd Choisya ternata of Mexicaanse oranjebloesem is het die straatnaam die mij voor de geest komt. Maar de plant heeft niets uit te staan met de avenue de Choisy, en helaas ook niet met de Abbé de Choisy (1644-1724 - een zeer wonderlijke en weinig bekende figuur die ervan hield zich als vrouw te verkleden en ook deel heeft genomen aan een gezantschap naar Siam in de tijd van Lodewijk XIV). De avenue heet zo omdat het de vroegere weg is naar het plaatsje Choisy-le-Roi, waar ik nooit ben geweest, en de plant is genoemd naar Jacques Denis Choisy (1799-1859), een Zwitserse botanicus en professor in de wijsbegeerte te Genève.

Wanneer een plant naar iemand worden genoemd is dat meestal na zijn dood, maar professor Choisy moet nog kennis hebben gehad aan zijn naamgenoot, die in 1825 uit Mexico in Europa werd geïntroduceerd. Het is niet onmogelijk dat hij hem nooit buitenshuis heeft gezien, in elk geval niet in Zwitserland, aangezien hij niet volkomen winterhard is; volgens Shrubs van Phillips en Rix 'blijft hij onbeschadigd bij -10amer maar hij verlies zijn blad bij -15amer'. De mijne heeft zulke beproevingen nooit hoeven doorstaan, maar Stephen Lacey zegt in The Startling Jungle dat hij 'in een harde winter tot de grond toe af kan sterven, hoewel je er van op aan kunt dat hij weer zal uitlopen'.

Er is iets Victoriaans aan de Choisya ternata: wat hij wil is bescherming, hij houdt van steden en over hem heen hangende bomen en buiten de wind staan (aan de voet van de torenflats in de avenue de Choisy waaien kwaadaardige winden en hij zou daar hoogst ongelukkig zijn). Graham Stuart Thomas schrijft: “Deze nuttige en waardevolle glanzende groenblijver is vooral aangepast aan steden; op open land en in onbeschutte tuinen loopt hij 's winters of in de lente bij koud weer gemakkelijk schade op.” Zoals rozen gezonder zijn in de smerige stadslucht - wie dat niet gelooft moet maar eens letten op de sterroetdauw op het blad van de rozen in de schone lucht van Ierland - zo tiert de Choisya welig onder omstandigheden waarin andere planten de Schepper hun ziel teruggeven.

Je weet, wanneer je een plant verplaatst en haar op ziet fleuren op haar nieuwe plek, nooit precies hoe dat komt. Maar in het geval van de Choisya, waar alle deskundigen hameren op beschutten, kun je je er een idee van vormen. Ik plantte de mijne eerst in een guur noordbed: hij ging niet dood maar echt leven deed hij ook niet. Toen zag ik er een bij iemand anders in de tuin, vijf voet hoog en breed en er zo welgedaan uitziend dat ik van louter schuldgevoel geen rust meer had voor ik de mijne had verplaatst. Hij staat nu op een naar het westen gekeerde plek, tamelijk droog, aan de voet van een kastanjeboom, waar hij een uur zon krijgt per dag. Hij begon dadelijk te groeien, en heeft dit voorjaar voor het eerst gebloeid. Zoals met zoveel in dit leven is dat nog geen garantie voor de uiteindelijke vervulling: de werkelijk gelukkige Choisya bloeit in het najaar nog eens.

Niet iedereen is even dol op Choisya ternata; Jane Taylor beschrijft hem in Gardening in Shade als “een heester die de mensen =f liefhebben =f haten”. Mrs C.W. Earle (Pot-Pourri from a Surrey Garden, 1897) behoorde uitdrukkelijk tot de eerstgenoemde categorie: “Tegen ieder beschikbaar stukje muur zou een Choisya moeten staan.” Ik weet niet of ik ook zo ver zou gaan, maar de plant heeft vele deugden. Zoals glanzend groene bladeren (er bestaat een akelige cultivar met gele bladeren genaamd Sundance, die geweerd moet worden), elegant gearrangeerd in bundels van drie (ternata). Hij is groenblijvend, heeft aanvallige witte bloemetjes en groeit, zelfs onder voorwaarden van betrekkelijke droogte, in zon en schaduw. Daarentegen kan niet worden ontkend dat hij herinnert aan een kamerplant, kwijnend en Victoriaans, en dat hij een krachtige geur heeft.

Niet alleen de bloemen zijn sterk geurend, op een citroenachtige manier die verklaart waarom hij de Mexicaanse oranjebloesem wordt genoemd, maar hetzelfde geldt tot op zekere hoogte ook voor de bladeren. Deze brengen, wanneer je ze fijnwrijft, een geur voort bestaande uit vijf delen sinaasappel en één deel natte hond; niet onaangenaam, maar op een of andere manier slecht passend in een tuin in een gematigde luchtstreek.

Maar hij ziet er schitterend uit onder zijn boom, zo weelderig en zo glanzend groen. Volgens sommigen moet je hem elke drie of vier jaar terugsnoeien tot dertig centimeter van de grond om de bladeren groen te houden en te zorgen voor veel bloei. Ik weet niet of ik het hart zal hebben zo drastisch te zijn; het is waar dat ik merkte dat een afgebroken tak verrassend snel weer aangroeide. Stephen Lacey adviseert in The Startling Jungle in zijn omgeving een wit kleurschema toe te passen.

Maar op de Choisya's eigen bloemen moet nu gewacht worden tot volgend voorjaar. Dit jaar waren het er niet genoeg: het deed me denken aan die twee sterretjes in het Chinese opschrift op de avenue de Choisy.