Slalommen door het geheugen

WIM KAYZER: Vertrouwd en o zo vreemd. Over geheugen en bewustzijn

606 blz., Contact 1995, ƒ 49,90

In zijn twintig uur durende 'televisie-vertelling' Vertrouwd en o zo vreemd over de raadsels van het menselijk geheugen voerde Wim Kayzer als een van zijn gasten mevrouw Nobbe ten tonele. Zij is een Alzheimer-patiënt en bleek in staat wijsjes uit haar kindertijd mee te neuriën, zodra die op de piano werden gespeeld. Dat was ongeveer het enige dat ze nog uit haar leven kon reproduceren, leerde het gesprek met deze mevrouw, haar man en haar muziektherapeute. “Al die liedjes die ze zich, toen ze nog Nel Nobbe was en wist dat ze nog Nel Nobbe was, niet meer kon herinneren,” schrijft Wim Kayzer in zijn recent verschenen boek met dezelfde naam als het tv-programma, “die kwamen nu, nu ze schijnbaar niet meer besefte wie Nel Nobbe was, allemaal keurig uit het moeras van het geheugen.”

Toch levert niets in het vraaggesprek, met haar man noch met de muziekpedagoge, enige aanwijzing dat mevrouw Nobbe die melodietjes haar hele volwassen leven lang vergeten was - en dat ze zich die tijdens haar dementie plotseling weer herinnerde. “Het is een vreemde gedachte,” concludeert Kayzer echter, “dat er in mijn geheugen tal van melodieën en liedjes zitten waar ik nu niet bij kan, maar die zullen worden losgeweekt als ik in een vèrgaand stadium van dementie verkeer.” Dit is verfraaien van het materiaal, en het is kenmerkend voor het ruim 600 pagina's tellende boekverslag van Kayzers uitzendingen 'Over geheugen en bewustzijn'.

De achterflap van Kayzers Vertrouwd en o zo vreemd vermeldt: “Dit boek bevat de volledige interviews, waarvan in de televisie-vertelling slechts fragmenten werden gebruikt.” Juist die zin weerspiegelt het voornaamste bezwaar tegen Kayzers aanpak: alles willen bewaren, zonder enige ordening of uitleg. De inleiding van het boek, die de verschillende delen en thema's zou moeten verbinden, verschaft de lezer geen enkel houvast. Het gaat vooral over Kayzer zelf: hoe en wanneer en waar hij wellicht op het idee van zijn 'vertelling' is gekomen. Het stuk is onbegrijpelijk voor wie onbevangen aan het boek wil beginnen en ergerniswekkend voor wie niet bovenmatig in de zieleroerselen van de auteur is geïnteresseerd.

De inleiding is tevens uitleiding. Nu eens mijmert de auteur over de vragen die hij zijn gasten op het kasteel zal voorleggen (“Kunnen we onze illusies ontmaskeren anders dan op straffe van zelfvernietiging. Zal die vraag in het kasteel rondzwerven?”), dan weer blikt hij terug op de gesprekken die reeds hebben plaatsgevonden (“Het zou een van de weerkerende vragen worden op het kasteel...”). Deze bespiegelingen worden gelardeerd met uitspraken van gasten uit de geheugenserie (“Laat me Brodsky nog eenmaal citeren...”) en uit zijn vorige produktie Een schitterend ongeluk, waarbij zelden wordt aangegeven of het hier een boek- of interviewcitaat betreft. Het werk mist bronvermeldingen, notenapparaat en verklarende woordenlijst, waardoor het nog oeverlozer en ontoegankelijker wordt.

Raadsels

Kayzer richt zich met zijn inleidende overwegingen en herinneringen beurtelings rechtstreeks tot de lezer (“Komt u me eens tegen en merkt u dat ik onverhoeds tweemaal sneller ga praten dan normaal...”) en tot zichzelf: “Is het daarom dat je met dat fenomeen (het geheugen, TR) in de weer gaat?” Terwijl uit zijn woorden niets blijkt van het “nieuw en onthutsend licht” dat dit boek zou werpen op de herinnering, schetst de auteur een zwartgallig zelfportret. Na ruim 35 bladzijden blijkt eerst waar alle gesprekken uiteindelijk over gaan: Kayzer vertrekt “naar het kasteel, om daar te praten over mijn verleden met mensen die er nimmer deel van uitmaakten”.

Kayzer had zijn vraaggesprekken beter kunnen ordenen dan uittikken - voor zover het materiaal zich daarvoor leende. Zijn gasten springen van de hak op de tak en slalommen langs vragen zoals: Wordt alles opgeslagen? Bestaat het onderbewuste? Wat betekent vergeten? Wat is de evolutionaire basis van ons geheugen? Welke functie heeft het geheugen? Hoe verhoudt het geheugen zich tot het bewustzijn? Wat is het zelf? Bestaat de vrije wil wel? Wie of wat bestuurt het geheugen? Wat is het collectief geheugen?

Problemen te over, maar geen enkele systematiek. De slordige vraagstelling van Kayzer, gepaard aan een volkomen gebrek aan gesprekssturing plaatst de lezer menigmaal voor raadsels. Een van de kwesties die in het boek herhaaldelijk aan de orde komt, is of alles wat de mens aan informatie registreert en verwerkt ook daadwerkelijk in het geheugen wordt opgeslagen. Een onduidelijke probleemstelling, want voor velerlei uitleg vatbaar. Bedoelt Kayzer hier alle sensorische indrukken, of alleen de informatie die enige bewerking heeft ondergaan, of juist de informatie die na enige bewerking is geselecteerd? Bovendien zou je als lezer (en ook als televisiekijker) graag willen weten waarom dit een relevante kwestie is. En als het antwoord op de vraag bevestigend is, welke conclusie wordt daar dan aan verbonden? En is dat een andere dan wanneer het antwoord ontkennend is?

Als Kayzer dit probleem aan de psycholoog Willem Wagenaar voorlegt, leidt dat dan ook tot spraakverwarring. Eerst beweert die stellig: “Ja, kijk, één belangrijke geheugenfunctie, een van de dingen die we echt goed moeten onthouden, is hoe de wereld er nu bij staat. En aangezien de wereld steeds verandert, moeten we die informatie dus steeds verfrissen, verversen. Daarvoor is het nodig dat we nieuwe indrukken op zijn plaats zetten en oude vernietigen.” Even later acht Wagenaar de vraag of eenmaal opgeslagen informatie altijd bewaard blijft, principieel onbeantwoordbaar. Zijn eigen bevindingen - hij schreef een paar jaar alles op wat hij beleefde - geven echter geen aanleiding te denken dat informatie verloren gaat: “Bewijzen dat iets uit het geheugen definitief verdwenen is, is onmogelijk.”

Wat geldt voor de samenspraak tussen Kayzer en Wagenaar, geldt evenzeer voor het verslag van het gesprek tussen de geheugendeskundigen Elizabeth Loftus, Alan Baddeley, Gary Lynch en Merlin Donald. Er komt een groot aantal vragen aan de orde zonder dat de onderlinge samenhang blijkt, het relatieve belang van de verschillende vragen wordt niet verduidelijkt, noch wordt verwezen naar eerder gedane uitspraken. Als er iets duidelijk wordt, dan is het dat voor een inzichtelijke verhandeling over het geheugen in relatie tot wetenschappelijk onderzoek meer nodig is dan het letterlijk weergeven van het ruwe materiaal voor een serie tv-programma's, namelijk selectie, veralgemenisering, ordening en classificatie - juist de elementen die ons geheugen zo'n kracht geven.

Onthutsend

Wie grondig speurwerk verricht in de gesprekken met wetenschappers, zou over het geheugen de volgende, niet bijzonder onthutsende conclusie kunnen trekken: het geheugen geeft informatie selectief weer, zowel naar inhoud als naar vorm. Niet alle opgeslagen informatie is op elk moment oproepbaar en veelal wordt informatie anders weergegeven dan waarin ze oorspronkelijk tot ons kwam: we onthouden niet letterlijk wat er is gezegd, maar wel de betekenis ervan.

Evenals in de tv-uitzendingen vormen in het boek naast de wetenschappers de schrijvers Mario Vargas Llosa, Joseph Brodsky en Ben Okri de hoofdmoot. De overige gasten zijn in te delen in de categorieën 'oorlogsgetuigen' (Durlacher, Bloemendal, Brugsma en Armando) en 'geheugengestoorden' (Moriz Kommer, mevrouw Nobbe, de rekenaar Gabriël Minne en de savants Richard Wavro en Derek Paravicini).

Alle hoofdstukken zijn voorzien van een inleiding, veelal kijkjes in de keuken van de tv-opnamen met de betrokkenen, maar wenselijker was het geweest als Kayzer enige biografische gegevens over de genodigden had verschaft, alsmede een toelichting op zijn keuze voor juist deze mensen. Over het uitnodigen van de savants wordt slechts opgemerkt: “Het zijn geen merkwaardige uitzonderingen, ze zijn enkel en alleen de uitvergroting zo je wilt, van de regels-van-het-geheugen.” Voor de rest moet de lezer (net zoals eerder de kijker) het zelf maar uitzoeken.

Over het algemeen waren het subjectieve motieven om iemand 'op het kasteel' uit te nodigen, bekent Kayzer. Een foto in de krant, een inleidend motto. De meeste verwantschap voelde hij met de schrijvers. Alle drie, constateert hij, “ervoeren ze de wereld der boeken, de reizen in hun verbeelding als meer reëel dan de werkelijkheid op straat”. Om na de verzuchting “niets was me meer vertrouwd dan dat beeld” verslag te doen van zijn eigen jeugdreizen door de boekenwereld. Het woord 'obsessie' ligt Kayzer in de mond bestorven, aan vele van zijn gasten wordt die hebbelijkheid toegeschreven.

Kayzers eigen obsessie is: de Tweede Wereldoorlog. Die loopt als een rode draad door de 600 bladzijden. Als het gaat over het vermogen van het reukorgaan om herinneringen op te roepen, meldt de auteur bijvoorbeeld dat “stof dat opdwarrelt van droge houten vloerbalken in een vooroorlogs huis” hem onmiddellijk doet denken aan zijn vroegere padvinderslokaal, waarvoor in de oorlog “joodse mensen, klaar voor transport naar het Oosten” stonden. Niet dat hij zich zulks uit eigen waarneming herinnert; het is een verhaal dat hem ooit is verteld door iemand die de oorlog wèl bewust heeft meegemaakt.

Net zoals de drie schrijvers verwerpt Kayzer het freudiaanse denken. Op het kasteel, bekent hij, veerde hij steeds enthousiast op “zodra iemand stevig afrekende met al die poeha over het onderbewuste, het dromen in symbolen en peutertrauma's”. Toch wemelt het van freudiaanse thema's in de interviews. Zo wordt de biochemicus Hans Bloemendal, die - ondanks Kayzers uitdrukkelijke uitdaging daartoe - niet veel kwijt wilde over het verlies van zijn familie in de oorlog, tot 'een meester in het verdringen' bestempeld. Het gesprek met de schrijvers “verzandde niet in oeverloos debat”, stelt Kayzer vast, want “abstracties als bewustzijn, onderbewustzijn en realiteit werden snel de deur gewezen. Dat is een kunst.” Maar de kunst om de abstractie 'bewustzijn' uit de ondertitel van zijn boek te weren, verstond hij blijkbaar niet.

Kreupel

De lezer van Vertrouwd en o zo vreemd struikelt helaas voortdurend over kreupele formuleringen (“Hersenonderzoekers en geheugenpsychologen lijken op één lijn”), clichés (“Wie of wat dirigeert het concert der herinneringen”) en fouten (“O zeker, er zijn tal van antwoorden, de een nog eleganter dan de andere...”). Kayzer introduceert het woord 'dunkelijk', heeft het over het 'neutrale' in plaats van neurale netwerk en gebruikt het woord 'ampel' (breedvoerig) consequent verkeerd: “Na ampele tijd...”; “ampele dagen na...”; “ampele dagen nadat...”. En dat is nog maar een selectie uit de inleiding.

Kayzer epateert graag met klinkende namen en gewichtigheid. Wie van zijn produkten oppervlakkig kennis neemt, is geneigd te denken dat er monumenten van eruditie en wijsheid worden opgericht. Aandachtiger beschouwing leert dat zijn wankele staketsels aan elkaar zijn gelijmd met een mengsel van bombast, pretentie en megalomanie. Dat te constateren is niet bon ton, maar onontkoombaar na lezing van Vertrouwd en o zo vreemd. Wat geldt voor de notities van zijn dromen, die Kayzer ter voorbereiding van de televisieserie maakte, geldt ook voor de schriftelijke neerslag ervan: “Ja, ik kon er, indien gewenst, alles uit destilleren. Dat bedoel ik als ik beweer dat er niets zinnigs te ontwarren viel.”