Regionaal Kamerlid luistert anders

Mark Kranenburg heeft een procédé ontwikkeld om zich met een minimum aan intellectuele inspanning te mengen in het debat over staatkundige hervorming. Daarbij worden eerst zaken die grondig van elkaar verschillen behandeld alsof zij van hetzelfde laken zijn. Vervolgens wordt in het ene geval betoogd dat beide zaken dezelfde gebreken hebben, in het andere geval dat het ene maar een flauw aftreksel is van het andere.

Het begon vorige week met een column over het correctief wetgevingsreferendum dat werd behandeld alsof daaraan dezelfde bezwaren kleven als aan een direct referendum, in het bijzonder dat hierdoor deelbelangen de overhand zouden krijgen over algemene(re) belangen. Dat is, om het kort te houden, klinkklare onzin die alleen aannemelijk is te maken, wanneer de bijzondere kenmerken van het correctieve referendum en de speciale eisen waaraan het moet voldoen buiten beschouwing worden gelaten.

Zaterdag 28 oktober sloeg Kranenburg opnieuw toe. D66 heeft vanaf haar oprichting een combinatie bepleit van directe verkiezing van de minister-president met een gematigd districtenstelsel. Het kabinet komt met een heel ander voorstel, namelijk voor een kiesstelsel waarin de helft van de Kamerleden wordt gekozen volgens een gematigd districtenstelsel en de andere helft volgens een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Wat schrijft Kranenburg hierover? Ten eerste: “Het kabinet heeft er alles aan gedaan om dit van oorsprong D66-idee van alle glans te ontdoen.” En vervolgens: “Niets heeft het meer te maken met de staatkundige hervormingen zoals D66 die voorstond.” Dat hij zo in twee opeenvolgende zinnen zichzelf tegenspreekt, ontgaat hem blijkbaar.

Maar de verwarring is nog niet ten einde. Het kabinetsvoorstel, zegt Kranenburg, is “een groot compromis... een beetje districtenstelsel, een beetje evenredige vertegenwoordiging, een beetje twee-stemmensysteem.” Dat is een kinderlijke beschrijving van de werkelijkheid. In feite is sprake van een gemengd stelsel waarin kiezers twee stemmen kunnen uitbrengen: één op een landelijke lijst, één op een regionale kandidaat. Kranenburg vindt het allemaal maar niks. Enerzijds grote, kunstmatig gevormde districten die, meent hij, de band tussen de kiezers en gekozenen niet kunnen versterken. Anderzijds opheffing van de bestaande 19 kieskringen en daardoor verlies van de mogelijkheid voor partijen hun lijsten per kieskring te variëren en zo de band met de kiezers nauwer te maken. Het laatste is een argument met een buitengewoon hoog academisch gehalte. In feite functioneert al tientallen jaren het hele land als één kiesdistrict. Ik kan mij niet voorstellen dat de kiezers (vooral de huidige kiezers) zich door variaties van lijsten van een partij per kieskring tot ander kiesgedrag zullen laten verleiden dan wanneer die lijsten in alle kringen gelijk zijn. Overigens is er, voorzover ik kan zien, niets in de rest van het kabinetsvoorstel dat aan een behoud van de kieskringen, indien gewenst, in de weg staat.

Als Kranenburg met de band tussen kiezers en gekozenen een traditioneel en gevoelsmatig bij elkaar horen van mensen bedoelt, heeft hij met zijn bezwaar tegen de voorgestelde districten tot op zekere hoogte gelijk. Niet helemaal, ten eerste, omdat noorderlingen, oosterlingen en zuiderlingen, vooral ten opzichte van westerlingen, ieder als groep toch nog wel iets gemeenschappelijks voelen. Maar vooral niet, omdat de band tussen kiezers en gekozenen, vooral in deze tijd, nog door andere, zakelijkere maar daarom niet minder belangrijke factoren wordt bepaald.

Daarvoor is in de eerste plaats van belang, dat de regionale volksvertegenwoordiger wordt gekozen als persoon en niet als degene die op een verkiesbare plaats van een lijst stond. Aan een persoon kun je vertrouwen geven en als dat wordt beschaamd een volgende keer onthouden. Een stem op een lijst kan die betekenis niet hebben. De regionale afgevaardigde zal zich bovendien tegenover de kiezers van zijn district moeten verantwoorden als een generalist. Hij kan zich dus niet tot zijn spciale deskundigheid of zijn bijzondere taak in de fractie beperken.

Het regionaal gekozen Kamerlid zal, om zijn zetel te behouden, een andere relatie moeten onderhouden met zijn kiezers dan het landelijk gekozen Kamerlid. Hij zal ook met andere oren naar hen moeten luisteren en met andere woorden met (en niet tot) hen moeten spreken. Natuurlijk zijn ook de huidige Kamerleden geestelijk en fysiek (hoewel minder) tot het onderhouden van contacten met hun achterban in staat. Hun prioriteiten zijn echter anders. Ook hun contacten zijn daardoor anders: niet alleen minder frequent maar ook anders, anders van aard en anders van inhoud.

Met het bovenstaande wil ik niet zeggen dat het kabinetsvoorstel wat mij betreft zonder verdere discussie en kritiek de eindstreep zou moeten halen. En nog minder, dat D66 haar hoofd op het kussen kan leggen, als het de eindstreep haalt. Waar het mij om gaat is, dat het een minder op D66, meer op de zaak gerichte discussie verdient dan waarin Kranenburg zich verlustigt. Het gaat tenslotte om iets dat veel belangrijker is dan welke partij ook, namelijk om het functioneren en de geloofwaardigheid van onze parlementaire democratie.