Oud-hoofdcommissaris Jan Blaauw over de integriteit van de politie; 'Wat zijn we toch diep gezonken'

Jan Blaauw (67), oud-hoofdcommissaris van politie in Rotterdam en Gorkum, staat bekend om zijn strenge opvattingen over het politiewerk. De parlementaire politie-enquête volgt hij dan ook met ontzetting. “Ik kan mijn oren nauwelijks geloven.” Blaauw blijft ook na zijn pensioen zijn vak trouw. Een gesprek over de bureaucratisering van de Nederlandse politie, over valse bekentenissen en foute opsporingsmethoden.

De morgen na ons eerste gesprek belt Jan Blaauw op. Hij heeft de videoband bekeken van de politie-enquête van de vorige dag. De Haagse hoofdcommissaris J. Brand had tegenover de commissie-Van Traa het gecontroleerd doorleveren van drugs aan criminelen een aanvaardbare methode genoemd. “Kijk naar hem”, adviseert Blaauw, “maar besef wel dat ik het absoluut niet met hem eens ben.”

Brand onthulde die dag ook dat Nordholt wegbleef uit de Raad van Hoofdcommissarissen, zodat het rapport-Wierenga niet besproken werd. Blaauw kan er geen begrip voor opbrengen, noch voor Nordholt, noch voor de Raad. “Als hij niet wil komen, zijn er toch nog 24 andere hoofdcommissarissen die het wèl kunnen bespreken?”

Generaties gepensioneerde politiemensen moeten dezer dagen rillend van afgrijzen de verhoren in Den Haag volgen. Blaauw, voormalig hoofdcommissaris van Rotterdam, is één van hen. Hij reageert op de enquête alsof zijn eigen reputatie nog op het spel staat.

Vijf jaar geleden is hij met pensioen gegaan, maar hij is nog tot in elke vezel van zijn lichaam de alerte, toegewijde politieman van weleer. Hij schrijft boeken over zijn vak, onderzoekt archieven en geeft lezingen. De zolder van zijn huis in Berkel en Rodenrijs waar hij met zijn zoon Hans - ook een politieman - woont, is een klein politiemuseum: rijen knipselmappen, politiepetten, onderscheidingen.

Maar hij praat nòg liever over zijn vrouw, ”mijn onvergetelijke vrouw Nelly”, zoals hij haar in de opdracht van zijn laatste boek, Bruno Lüdke: seriemoordenaar, noemt. Ze is vorig jaar overleden, en hij is nog steeds van rouw vervuld. Onlangs zocht hij de plekken in Noord-Drenthe op waar ze op vakanties zo gelukkig zijn geweest. “Het doet me goed daar weer rond te lopen. Waar ik alleen niet aan wil denken, dat zijn de twaalf weken van haar sterfbed, dat was zo vreselijk, dat probeer ik te verdringen.”

Zonder zijn vrouw was zijn carrière bij de politie minder voorspoedig verlopen. Blaauw, zoon van een rijksveldwachter uit Borger, is een selfmade man: hij klom op van straatagent tot hoofdcommissaris en plaatsvervangend korpschef in Rotterdam. Een dagopleiding aan de Politieacademie kon hij niet volgen, het diploma moest door zelfstudie in de avonduren gehaald worden. Nelly overhoorde dagelijks haar blokkende man, zegde haar baan op en zorgde voor het gezin.

Hij was in 1983 graag korpschef geworden, maar de PvdA in Rotterdam lustte hem niet, men vond hem te rechts. “Ik gold als een man van law and order, waar met name de PvdA nu het hardst om schreeuwt. Ik heb er nooit van wakker gelegen, want ik heb in Rotterdam een geweldige tijd gehad. En ik heb tòch de kans gekregen als korpschef te fungeren, omdat de eerste man, Jan van Dorp, geruime tijd ziek werd.”

Komt het nog vaak voor dat mensen zoals u met veel praktijkervaring in de top van het korps belanden?

“Er is - en dat is al in mijn tijd begonnen - een steeds grotere kloof ontstaan tussen beleid en uitvoering. Uitvoering werd bijna een vies woord, dat kwam terecht op de schouders van de inspecteurs. In de hogere rangen komen steeds meer managers, mensen die niet het vak beheersen waar we voor ingehuurd worden: dat van politieambtenaar, hetzij van de recherche, hetzij van de geüniformeerde dienst. Op het niveau van de hoofdcommissarissen kom je nog nauwelijks mensen tegen met een recherche-achtergrond.

“Nordholt zei laatst tegen de enquête-commissie dat hij nu 36 jaar meeloopt, zonder een dag recherche-ervaring. Als hij dat niet als een gemis voelt...nou, ik zou het niet graag gemist hebben.”

Is die ervaring een conditio sine qua non voor zo'n functie?

“Zonder meer. Als hoofdcommissaris van politie hoor je een brede achtergrond te hebben in het veld. De jaren in de geüniformeerde dienst en de recherche zijn een ideale basis om door te stoten naar de functie van korpschef. Op het ogenblik zie je de gevolgen van een situatie waarin het management teveel afstand nam van het front. Neem de rol van de Criminele Inlichtingen Dienst (CID) in de IRT-affaire: de korpschefs waren er niet van op de hoogte wat die CID's aan het uitvreten waren. Een CID hoort rechtstreeks te worden opgehangen aan een korpschef, en mag geen staat in de staat worden.” Eén van de kleinere, maar daarom niet minder saillante voorvallen tijdens de politie-enquête: de Rotterdamse recherchechef H. Jansen neemt plaats voor de commissie en zucht moedeloos: “Ik heb een beetje tegenzin in mijn werk, vijftig procent van mijn tijd gaat heen met gedoe...vergaderen.”

Blaauw: “Er is inderdaad een verbureaucratisering gaande bij de politie. Iedereen zit te vergaderen of is op weg naar een vergadering, in de eigen stad, maar liefst ergens op de hei. Ik heb er altijd een rothekel aan gehad. Als je vergadert, moet er iets te beslissen zijn, en anders kun je het beter laten. Op een vergadering moeten ook alleen degenen zijn die over iets kùnnen beslissen. Die vergadercultuur is al in mijn tijd begonnen. Er wordt op ieder niveau vergaderd en over het minste of geringste probleem.”

Hoe is dit te rijmen met de nooit aflatende roep van de politietop om méér personeel?

“Dat is ook nauwelijks te rijmen. De Nederlandse politie zou veel efficiënter kunnen werken. Bijvoorbeeld door de arbeidstijden beter af te stemmen op de momenten waarop er écht wat loos is. Maar de politievakbonden hebben de flexibiliteit van een heipaal als het om de rechtspositie van de politiemensen gaat. Daarom vraagt het publiek zich vaak met verbazing af: waarom zien we zo weinig agenten als er wat aan de hand is en zo veel als het rustig is? 's Nachts rijden er veel meer auto's van particuliere veiligheidsdiensten rond dan politiewagens. Het gespuis komt nu eenmaal 's nachts uit zijn holen, niet op zondagmorgen.

“De politiebonden hebben in de loop der jaren enorm veel macht gekregen. Over elk wissewasje moet men het met hen eens worden. De korpschefs hebben onvoldoende op de barricade gestaan om daar iets tegen te doen. De bonden regeren mee - en dat kan niet. Er kan maar één man aan het stuur zitten.”

De recente, grootscheepse reorganisatie bij de politie - de samensmelting van rijks- en gemeentepolitie - staat hem evenmin aan. “Er heeft een enorme kapitaalvernietiging plaatsgevonden. Met name bij de recherche is er veel ervaring verloren gegaan. Het is allemaal ontstaan vanuit het idee van de generale taakstelling: iedereen moet alles kunnen. Ik heb daar nooit enig geloof aan gehecht. Je moet de voorkeuren van je mensen juist uitbuiten.”

In 1977 kwamen Nordholt c.s. met het rapport 'Politie in verandering'. De politie moest meer in de maatschappij integreren, er moesten wijkteams komen - wat is ervan terechtgekomen?

“De politie roept al jarenlang dat de reorganisaties nodig zijn omdat ze dichter op de burger wil zitten. Maar de klachten van de burgers nemen toe, omdat er bureaus sluiten of 's nachts niet meer open zijn, en omdat de aanrijtijden van de politie vreselijk lang kunnen duren. En als er een inbraak bij je wordt gepleegd, heb je kans dat de politie zegt: kom maar naar het bureau om aangifte te doen. Waar blijf je als je nee moet verkopen aan de burger die om een optreden vraagt? Dat is toch iets schrikbarends?” Blaauw schreef een opvallend boek: Bruno Lüdke: seriemoordenaar. Over een Duitse zwakzinnige die na zijn arrestatie in l943 liefst 53 moorden op vrouwen bekende. Blaauw reisde met zijn vrouw twee jaar door Duitsland, kreeg toegang tot alle dossiers en sprak met politiefunctionarissen. Zijn opzienbarende conclusie: Lüdke was het onschuldige slachtoffer van een overambitieuze politieambtenaar, de Kriminalkommissar Heinrich Franz.

“Duitse politiemensen vroegen me wel eens: hij zal toch wel een páár moorden hebben gepleegd? Maar zelfs dat niet.”

Duitsland reageerde tot dusver zuinig op zijn onthullende boek. Blaauw publiceerde een samenvatting in een prominent vakblad, Kriminalistik, maar er kwamen maar twee reacties op.

In feite is uw boek een aanklacht tegen de blinde scoringsdrift van politiemensen. Herkende u veel in Franz' ambitie?

“Zeker. Die scoringsdrift zie je nu weer in onze strijd met de georganiseerde misdaad, en we moeten oppassen dat we er niet aan onderdoor gaan. Bij een moordonderzoek, zoals bij Lüdke, moet je op basis van sporen en getuigeverklaringen een frame opbouwen waarin er maar één kan passen: dé dader, niet een dader. Maar hier werd een vent opgepakt en vervolgens bouwde Franz er een frame omheen. Ik heb mijn rechercheurs altijd voorgehouden: het doel van het verhoor is niet om een bekentenis te krijgen, maar om de waarheid te achterhalen - ongeacht hoe die er uitziet.

“Valse bekentenissen hebben mij altijd gefascineerd. Ik heb me dikwijls afgevraagd: waarom bekent zo iemand? Mijn conclusie is dat je labiele figuren de moord op Floris V kunt laten bekennen als je ze dwingend verhoort. Ik heb net een nieuw boek klaar, Verdacht van moord, waarin ik zes dubieuze Nederlandse moordonderzoeken van deze eeuw reconstrueer. Ik toon aan dat ook daar onder veel morele druk valse bekentenissen en valse getuigeverklaringen zijn verkregen.

“Verhoren is een ongelofelijk boeiende bezigheid, maar als je je als politieman ergens ethisch hoort te gedragen, is het wel in de verhoorsituatie. Bluf is uit den boze, suggereren: je maat heeft al bekend, zeg het maar. Het is een van de goedkoopste trucjes. Ik zou als verdachte zeggen: als hij bekend heeft, wil ik het zelf graag uit zijn mond horen.”

Hoe breng je een ontkennende dader op een oorbare manier tot een bekentenis?

“Ik heb de zaak gedaan van Marcel Nivard, een 12-jarig Rotterdams jongetje dat in 1961 vermoord werd door een kappersbediende. Een getuige had gezien dat de bediende op een dinsdag, toen zijn zaak gesloten was, met een jongetje was binnengegaan. Ik heb dat de verdachte niet meteen voorgehouden. Ik begon hem te ondervragen over simpele gebeurtenissen die vóór die bewuste dinsdag lagen. Op die manier blokkeerde ik een beroep op geheugenverlies. Over die dinsdag liet ik hem in detail vertellen hoe hij opgestaan was en ontbeten had. Zo kwamen we bij het fatale tijdstip tussen vier en vijf waarop het kind verdwenen was. Hij zei dat hij naar de bioscoop was geweest, hij wist ook de titel van de film, maar hij kon de inhoud niet navertellen.

“Toen begon hij toe te geven dat hij met Marcel in zijn Volkswagen had rondgereden en hem er bij de Mathenesserbrug had uitgezet. Dat was volstrekt ongeloofwaardig: dat iemand het kind daarna zou hebben meegenomen. De pauzes tussen zijn antwoorden werden steeds langer en dan is het toelaatbaar om tegen iemand te zeggen: ik lees het haast van je gezicht af, jij bent de man die het gedaan heeft. Hij heeft ten slotte bekend.” Blaauw bezit een foto waarop president Nixon in 1971 de diploma-uitreiking bijwoont op de National Academy van de FBI. Eén van de gelukkigen: Jan Blaauw die drie maanden in Washington gestudeerd had. Nixon kondigde op die bijeenkomst trots een overeenkomst met Turkije aan met het doel de opiumoogst te vernietigen.

Het klinkt nu bijna als een wrange grap.

“Ja. Wat Nixon toen zei, sprak mij niet aan. Ik had nog nooit heroïne gezien. In 1972 werd in Rotterdam voor het eerst heroïne in beslag genomen: twee gram over een heel jaar.”

Inmiddels zegt Hessing, de huidige korpschef van Rotterdam, dat de politie de drugsoorlog heeft verloren.

“Ik vind dat te defaitistisch. Zulke uitspraken van korpschefs werken demotiverend op hun mensen. Je zult toch dóór moeten vechten, tenzij wereldwijd besloten wordt om de drugs vrij te geven. Eenzijdige vrijgave door Nederland is een illusie, volstrekte onzin. Ik heb in 1988 een bijeenkomst bijgewoond over 'Schengen', waarbij we werden toegesproken door minister Korthals Altes van justitie. Hij verzekerde ons min of meer dat er aan de vrije grenzen geen problemen zouden ontstaan voor de politie. En kijk nu eens: vanuit Frankrijk en de Oostgrens is een soort heroïne-expresslijn naar Nederland ontstaan. Als we de rotzooi vrijgeven, zullen ze écht met speciale treinen naar ons toe komen.

“Bij een wereldwijde vrijgave van drugs zal de georganiseerde criminaliteit op dat terrein inderdaad compleet inzakken, maar zoiets is heel moeilijk te organiseren. Bovendien veroorzaak je een gezondheidsprobleem dat per saldo op een zeker zo grote ramp zal uitlopen.”

Welke maatregelen stelt u dan voor?

“Mijn voorstel was al tien jaar geleden: keer de bewijslast om als het bezittingen betreft. Laat de drugshandelaar maar aantonen hoe hij aan zijn kapitaal gekomen is. En verder moeten we vooral niet beginnen aan het zelf importeren en doorleveren van drugs. De politie wil op die manier tot de top van organisaties doordringen, maar dat is bij mijn weten langs die weg nooit gelukt. Mijn idee is: grijp wat je grijpen kunt, want als je op de onderste tree van de ladder begint kun je op den duur best bij het dak uitkomen. En de allerhoogste drugsbazen in het buitenland blijven sowieso onbereikbaar.”

Volgens de commissie-Wierenga zijn deze bendes alleen te bestrijden met infiltratie.

“Daar ben ik het niet mee eens. Ik denk dat Wierenga zich dat heeft laten wijsmaken door mensen van de politie en het openbaar ministerie voor wie infiltratie een soort hobby is geworden. Wierenga had deze specifieke opsporingsmethode - het doorleveren van drugs door de politie - moeten veroordelen, zowel op juridische als op morele gronden.

“Bij infiltratie praat je over twee mogelijkheden: met een politieman of met een burger. Nou, een politieman langere tijd in het milieu brengen, leidt absoluut tot verloedering. Het kan alleen zeer incidenteel. Daarom was ik al in de jaren tachtig tegen de structurele pseudokoop-teams - ook dat mocht alleen incidenteel van mij. Wat is er gebeurd met deze koopteams? Alleen maar een hoop rottigheid. En wil je écht moeilijkheden krijgen, dan moet je met burgerinfiltranten werken: criminele, volstrekt onbetrouwbare en oncontroleerbare figuren die - wat ik moreel heel verwerpelijk vind - onder de vlag van de politie hun zakken zullen proberen te vullen.”

“Waar heeft het toe geleid? De politie in Kennemerland is in een chantagepositie beland, men moest drugs invoeren omdat anders een burgerinfiltrant eraan ging. Men had tegen die infiltrant al bij het begin moeten zeggen: vanaf nu staat jouw leven op het spel, en dat is jouw risico.

“Als je de balans opmaakt van de IRT-affaire, zie je alleen maar onderling wantrouwen, ordinaire ruzies in het openbaar, grote schade aan het imago van politie en justitie. Deze week is op een haar na de derde minister gesneuveld. Men heeft zich op een volkomen heilloze weg begeven.

“Ik kan mijn oren nauwelijks geloven als ik die enquête op tv volg. Als ik een getuige van de CID hoor vertellen dat er tonnen tipgeld - belastingcenten dus - aan een crimineel zijn gegeven, dan denk ik alleen maar: wat zijn we toch ongelofelijk diep gezonken. Een informant of infiltrant mag nooit meer dan een paar grijpstuivers krijgen. Er mag nooit een wederzijdse afhankelijkheid ontstaan tussen politie en informant. En maakt hij zich schuldig aan strafbare feiten, dan hoort hij onmiddellijk voor de bijl te gaan.”

U bent het dus eigenlijk eens met Nordholt en de Amsterdamse politie die de gehanteerde opsporingsmethode onrechtmatig vonden?

“Het is omgekeerd, hoor. Nordholt heeft gezegd dat hij het met mij eens is. Waarom draai ik het om? Omdat ik al in 1980 in het Algemeen Politieblad tegen het doorlaten van drugs heb gewaarschuwd. Burgerinfiltranten heb ik in de jaren tachtig herhaaldelijk ongeleide projectielen genoemd.

“Wat ik onbegrijpelijk vind, is dat deze materie nooit fundamenteel besproken is in de club van hoofdcommissarissen of die van procureurs-generaal. En ik begrijp evenmin dat Straver, de korpschef van Haarlem, nooit geweten heeft wat enkele rechercheurs van zijn CID aan het uitspoken waren. Heeft de tussenlaag in de organisatie - de commissarissen, de recherchechefs - dan zitten te slapen?”

Probeert u niet een vuile drugsoorlog te winnen met schone handen?

“Wat Wierenga in feite zegt, is: het doel heiligt de middelen. Als je die weg opgaat, zal het krediet van de politie bij de rechter snel verspeeld zijn. De integriteit van het politieapparaat is mij vele malen meer waard dan het winnen van welke slag dan ook in de criminele wereld.”

Vindt u het terecht dat Nordholt het IRT-team Noord Holland/Utrecht heeft opgeheven?

“Nee, dat vind ik niet juist. Die opheffing staat los van de gebruikte methode. Nordholt had moeten zeggen: 'Is dàt de methode? Oké, dan roep ik nu iedereen bij elkaar om die methode af te schaffen.' Als dan blijkt dat de sfeer in het IRT-team verziekt is, kun je de leiding wegsturen, maar je gaat toch geen heel team van honderd gemotiveerde politiemensen opheffen?”

Er moeten dus andere motieven zijn geweest bij Amsterdam.

“Een groot, overkoepelend team waar Amsterdam geen vat op heeft, zal nooit een lang leven beschoren zijn. Het is pas goed als Amsterdam de eerste viool speelt. Het Amsterdamse politiekorps heeft altijd een zeker superioriteitsgevoel gehad. Mijn vader raadde me destijds al aan: ga niet naar Amsterdam.”

Nordholt suggereerde tegenover de enquêtecommissie: als u mij gelijk geeft, komt alles goed.

“Daar geloof ik niet in. Het is naïef om te denken dat die korpschefs - Straver, Wiarda en Nordholt - opeens weer goed met elkaar zullen omgaan als de enquêtecommissie geoordeeld heeft. Moeten die andere twee soms, gehuld in een jute zak en met as op het hoofd, naar de Elandsgracht om Nordholt hun excuses aan te bieden? De grievende uitlatingen in een column van de Amsterdamse politiepersvoorlichter Klaas Wilting over Wiarda - dat triomfalisme kàn gewoon niet. Er moet in dit conflict niet gestreefd worden naar één overwinnaar. Wanneer grote kerels op die leeftijd niet meer met elkaar door één deur kunnen, dan moeten ze maar allemaal verdwijnen. Men moet daar met een schone lei beginnen.”

Wat vindt u van het ontslag van procureur-generaal Van Randwijck?

“Het is een persoonlijke tragedie. Ik heb veel met hem samengewerkt en ik bewaar de beste herinneringen aan hem. Hij is omgekomen in de Amsterdamse jungle. Hij mag niet als enige zondebok de woestijn in worden gestuurd.” Blaauw is een verwoed fietser - hij heeft half Europa fietsend doorkruist. Fietst hij nog wel eens door Rotterdam, en dan met name door de zwakke buurten? En schrikt hij dan niet?

“Nou en of. Ik heb zelf in Spangen gewoond, mijn vrouw kwam er vandaan. Maar Spangen is Spangen niet meer. Ik heb ook de protestoptocht gezien tegen de drugsoverlast in het Oude Westen. Ik zag die paar duizend mensen op de Coolsingel en ik dacht: dit zijn eigenlijk ordelievende mensen, van allerlei huidskleur en nationaliteit. Ik besef dat er maar een paar incidenten nodig zijn om de vlam in de pan te doen slaan - of het nu in Spangen is of in Zuid. Als ik die barricades in Spangen zie, houd ik mijn hart vast.”