Orde van Advocaten gaat voorzichtig over op no cure, no pay

De Nederlandse Orde van Advocaten beraadt zich over invoering van het declareren op basis van het omstreden beginsel no cure, no pay. Deken mr. T. de Waard over de balans tussen meer marktwerking en de integriteit van het vak. “Leg je geen bodem, dan krijg je hier Amerikaanse toestanden, zoals ambulance chasers.”

Al snel na zijn aantreden maakte het 'paarse' kabinet duidelijk dat ook de Orde van Advocaten eraan moest geloven. De van oudsher gesloten beroepsgroep, die op basis van zelfregulering haar eigen tuchtrecht uitoefent, moest worden opengebroken. Doel: meer concurrentie en lagere prijzen. De Orde is volgens De Waard niet per definitie tegen meer marktwerking: “Maar als je economen hun gang zou laten gaan, dan komt er snel een einde aan de onafhankelijke advocatuur.” Een minimale ordening is volgens de deken noodzakelijk. “Onafhankelijke advocatuur is een algemeen belang. Leg je geen bodem, dan krijg je hier Amerikaanse toestanden, zoals ambulance chasers.” Het gaat daarbij om mensen die advocaten tippen als bijvoorbeeld iemand is overreden. De advocaat wendt zich vervolgens tot het slachtoffer en biedt hem aan zijn zaak op basis van no cure, no pay in behandeling te nemen.

Niettemin wil de Orde na lang discussiëren no cure, no pay nu ook op beperkte schaal in Nederland toestaan. Motief is dat de overheid de laatste jaren fors heeft bezuinigd op de rechtsbijstand. Volgens de Orde komt nu minder dan 50 procent van de particulieren voor rechtsbijstand in aanmerking. Vorig jaar spiegelde de minister van justitie de Tweede Kamer nog voor dat dit 62 procent zou zijn. No cure, no pay geeft particulieren een extra mogelijkheid om toegang tot de rechtszaal te krijgen, zet De Waard uiteen. “We denken dat een toenemend aantal mensen het erbij laat zitten, omdat ze opzien tegen de kosten. Dat vinden we een slechte zaak.”

Het soort zaken op basis van no cure, no pay zal de Orde volgens De Waard aan strenge voorwaarden binden. “Er zijn rechtsgebieden waar rechtshulp geen voorwerp mag of kan zijn van de economische inschatting van de advocaat of hij een zaak op basis van no cure, no pay wil doen. Dat is niet humaan.” Het gaat daarbij onder meer om strafzaken en echtscheidingen.

Op geld waardeerbare vorderingen komen wel vaak in aanmerking. Of dat ook het geval zal zijn voor letselschadezaken en claims als bijvoorbeeld van de gedupeerden inzake de gefailleerde verzekeraar Vie d'Or is nog onderwerp van discussie binnen de Orde. Het advocatenparlement, het zogenoemde College van Afgevaardigden, zal zich hierover komend jaar uitspreken. Het college zal ook het percentage vaststellen dat de advocaat mag vragen.

De deken zegt geen angst te hebben dat de invoering van no cure, no pay hier Amerikaanse toestanden in de hand werkt. “Wij hebben in Nederland geen juryrechtspraak en ook geen punitive damages, een soort boete die vele miljoenen kan bedragen en niet in relatie staat tot de geleden schade.” Bij no cure, no pay brengt een advocaat bij verlies van een zaak geen kosten in rekening. Dat wil niet zeggen dat zijn cliënt gratis uit is. Het is goed mogelijk dat de rechter hem bij verlies veroordeelt tot betaling van de proceskosten van de tegenpartij.

De Orde kende in feite al één soort zaken dat op basis van no cure, no pay werd gevoerd: geldvorderingen ofwel incassozaken. De standaardtarieven die hiervoor staan - het percentage zakt als de waarde van de claim stijgt - komen te vervallen. De advocaat krijgt de vrijheid per geval met zijn cliënt een tarief af te spreken, binnen de grenzen van een door de Orde vast te stellen misbruikwetgeving.

Het 'paarse' kabinet heeft het niet bij woorden over meer marktwerking binnen de advocatuur gelaten. De ministeries van economische zaken en justitie installeerden een werkgroep onder voorzitterschap van oud-staatssecretaris van onderwijs Cohen. Resultaat van deze 'Operatie marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit' is dat de komende jaren honderden juristen in dienstverband zullen toetreden tot de Orde. Voorheen was het voor de circa 1.500 bedrijfsjuristen en 1.200 juristen in dienst van rechtsbijstandverzekeraars in Nederland onmogelijk op te treden als procesvertegenwoordiger. Dat leidde er in de praktijk toe dat een jurist bij een rechtsbijstandverzekeraar een zaak moest overdragen aan een advocaat op het moment dat die voor de rechter kwam.

Het toetreden tot de Orde is voor juristen in dienstverband geen formaliteit. Van de nieuwkomers wordt geëist dat zij, zoals beginnende advocaten, de beroepsopleiding volgen en tevens gedurende drie jaar stage lopen op het kantoor van een ervaren advocaat: de patroon. De Waard schat dat de helft van de juristen in dienstverband lid zal worden van de Orde.

Voorwaarde is verder dat er geen structurele belangentegenstelling mag zijn tussen de bedrijfsjurist-advocaat en zijn werkgever. Als de verzekerde bijvoorbeeld hoger beroep wil instellen, mag de verzekeraar dit niet uit het oogpunt van kostenbeheersing verhinderen. In een statuut wordt vastgelegd dat de jurist in dienstverband onafhankelijk van de aanwijzingen van zijn werkgever kan opereren. Bovendien moet de cliënt van een rechtsbijstandverzekeraar de vrije keuze hebben om zelf een advocaat in de arm te nemen, in plaats van gebruik te maken van de diensten van hun interne jurist.

Voorts gaat het mes in de tarieven. De Orde schrapt per 1 januari 1997 het basisuurtarief en het zogeheten calculatieschema. Aan de hand van dit tarief (280 gulden exclusief btw), vermenigvuldigd met factoren uit het calculatieschema zoals het financieel belang van de zaak, maakten advocaten decennia lang hun declaraties op. “Het eenheidstarief bezorgde ons een duur imago”, licht De Waard toe. “Het past beter in deze tijd dat iedere advocaat vooraf een specifiek op de zaak toegesneden prijs met zijn cliënt overeenkomt.” Hij verwacht dat de rechtshulp aan particulieren daardoor goedkoper zal worden.

Het gegeven dat veel advocaten hun cliënt niet vooraf wijzen op de hoogte en samenstelling van het tarief leidt regelmatig tot wrevel. “De cliënt komt soms voor een enorme verrassing te staan”, weet De Waard. De Orde ontwerpt nu een standaarddeclaratie-overeenkomst. In een eerste gesprek moet de advocaat de overeenkomst toelichten, waarna de cliënt moet ondertekenen.

Om straks toch nog voorkomende geschillen te slechten richt de Orde declaratie-instituten op. Nu is het zo dat in het geval van klachten over de declaratie in een civiele zaak de Raad van Toezicht bevoegd is en bij overige zaken de rechtbank. Voor de cliënt is dat verwarrend. Alle negentien regionale Orden krijgen hun eigen declaratie-instituut. Een college met daarin afgevaardigden vanuit de advocatuur, de rechterlijke macht en cliëntenorganisaties zoals de Consumentenbond, zal zich over geschillen uitspreken. De uitspraak zal bindend zijn.

Een grote zorg voor de advocatuur is de beroepsaansprakelijkheid. Een kleine fout in een zaak waarmee een groot financieel belang is gemoeid, levert al snel een miljoenenclaim op. Binnen de advocatuur is de maatschap de meest voorkomende organisatievorm. Juridische consequentie is dat elke maat hoofdelijk aansprakelijk is - met zowel zijn zakelijke als privé vermogen - voor claims tegen één van zijn collega's. Een grote toegewezen claim zou daarmee een heel kantoor en vele gezinnen bankroet kunnen maken.

Uit vrees daarvoor studeren veel advocaten op mogelijkheden om hun aansprakelijkheidsrisico te verminderen. Ze denken daarbij vooral aan het omzetten van de maatschap in een vennootschap. Gaat het een keer echt mis, zo is de redenering, dan gaat weliswaar de vennootschap failliet, maar privé ontspringen we de dans. Behalve uiteraard de advocaat die de fout heeft gemaakt, die is zelf wel verantwoordelijk.

De Orde had tot afgelopen woensdag een verordening die bepaalde dat advocaten die hun praktijk in een vennootschap hadden ondergebracht, persoonlijk aansprakelijk bleven voor de verplichtingen daarvan. Deze verordening, die in 1972 was ingevoerd toen de vennootschap uit fiscale overwegingen en vogue raakte (bijvoorbeeld pensioen), belemmerde advocaten bij het beperken van hun aansprakelijkheid. Met het schrappen van deze verordening is nu bereikt dat de hoogte van de aansprakelijkheid te allen tijde onderhandelbaar is. De advocaat en zijn cliënt kunnen vooraf een maximum aansprakelijkheidsbedrag overeenkomen.

“De relatie tussen beloning en het te lopen risico zijn vaak disproportioneel”, licht De Waard toe. “Stel dat je een transactie van veertig miljoen gulden juridisch begeleidt, dan loop je het risico voor het hele bedrag een claim te krijgen. Dat is onaanvaardbaar.” Overigens is het voor advocaten niet mogelijk het aansprakelijkheidsrisico geheel uit te sluiten. Ze blijven verplicht zich te verzekeren tot een minimum schadebedrag van 1 miljoen gulden per zaak.

Voor een moordende concurrentie als gevolg van een grotere marktwerking zegt De Waard niet bevreesd te zijn. Er blijft volgens hem, zelfs nadat het aantal advocaten de laatste jaren al sterk toenam, voor iedereen genoeg brood op de plank. “De Orde heeft een stormachtige groei achter de rug”, stelt hij vast. De beroepsgroep telt nu 8.300 leden. Jaarlijks neemt dat aantal met zo'n vijf procent toe. In het jaar 2000 verwacht de deken dat het ledental de 10.000 ruim overstijgt.

De aanwas is volgens hem primair veroorzaakt door de opkomst van juridische specialismen. Vooral ondernemingsrecht, fiscaalrecht en mededingingsrecht blijken groeimarkten. Inmiddels bestaat ruim 60 procent van de omzet van advocaten uit juridische advies- en transactiediensten aan het bedrijfsleven. Het gaat hierbij om diensten die pas twintig jaar bestaan. De advocatuur heeft volgens De Waard het leeuwedeel van deze diensten naar zich toe getrokken. Nederland heeft nu vijf advocaten per 10.000 inwoners. Internationaal is dat geen uitzonderlijk hoog getal. De Waard: “In Amerika ligt dat aantal op 35. Zoveel zullen het er hier wel nooit worden, maar het worden er zeker aanmerkelijk meer.”

De Waard is in de laatste maand van zijn tweejarige termijn als deken. Zijn opvolger wordt de huidige waarnemende deken mr. J.L.R.A. Huydecoper. Zowel De Waard en Huydecoper als hun recente voorgangers werken bij één van de grootste Nederlandse kantoren. Is het niet onbillijk dat de functie van deken alleen aan leden van deze maatschappen lijkt voorbehouden? Volgens de deken is het geen kwestie van rechtvaardigheid. Het is zijns inziens onvermijdelijk: “Het landelijk besturen van de Orde is zo veelomvattend dat het bijna een full time taak is. Het is bovendien een vrijwel onbezoldigde baan. Mijn compagnons stellen me in de gelegenheid dit werk te doen. Dat gaat nu eenmaal makkelijker als het er zeventig zijn.”