Ontspoord duo zorgt nog voor happy end

DEN HAAG, 4 NOV. En zo komt er, een week voor het einde, dan misschien toch nog een happy end aan de parlementaire enquête opsporingsmethoden. Wat tot nu toe een meedogenloze strijd tussen 'rekkelijken' en 'preciezen' was over de grenzen van opsporingsmethoden, is deze week teruggebracht tot een zaak van twee ontspoorde agenten van de Criminele Inlichtingendienst (CID) uit Haarlem.

Zowel het Amsterdamse als het Haarlemse kamp heeft nu een zondebok waarvan ze zich gezamenlijk verontwaardigd kunnen afwenden. Dat schept eindelijk een warme band.

De twee, het 'koningskoppel' K. Langendoen en J. van Vondel, blijken in hun pogingen de zware misdaad onderuit te halen verstrikt te zijn geraakt in een web waarin de belangen van de politie en de criminelen niet meer zijn te onderscheiden. Langendoen hielp zijn zus aan een baan bij een Belgische limonadefabrikant annex informant, die de voormalige CID-chef deze week zelf een “halve crimineel” noemde. Van Vondel ging met de “sapman” op vakantie terwijl hij hem als informant 'runde' en was nog dit jaar bereid zwijggeld van minimaal een half miljoen te betalen om te voorkomen dat de Belg Van Traa en de rijksrecherche te zeer wegwijs zou maken.

Zo brachten de Jansen & Janssen van Haarlem, die een centrale rol speelden bij het op de markt brengen van zo'n 45.000 kilo soft drugs door de IRT Noord-Holland/ Utrecht, de afgelopen twee jaar het opsporingsapparaat in het Amsterdamse ressort in onderlinge staat van oorlog. Sinds het uitbreken van de IRT-affaire eind 1993 was er ruzie over opsporingsmethoden en -technieken. Het conflict escaleerde omdat er tot gisteren door de Haarlemse superieuren van het koppel een onvoorwaardelijke solidariteit werd betracht met de twee CID'ers. De inlichtingen-agenten waren dan missschien ver gegaan, maar dat krijg je nu eenmaal als je gaat “pionieren” in de strijd tegen de “mafia”. Die Haarlemse houding - gesteund door Utrecht - zette kwaad bloed bij de Amsterdamse collega's waardoor men in de hoofdstad nog harder zijn best ging doen toch vooral “schoon te rechercheren”.

Dat er weer hoop gloort, bleek afgelopen donderdag voor het eerst bij een overleg in Amsterdam. Op het moment dat in Den Haag het koningskoppel door Van Traa werd gefileerd, vond in de hoofdstad onder voorzitterschap van de Amsterdamse hoofdofficier van justitie J. Vrakking ressortsoverleg plaats tussen kopstukken van politie en justitie. Men besprak de vraag onder welke omstandigheden politiekorpsen en kernteams informatie kunnen uitwisselen en hoe het “lekrisico van vertrouwelijke informatie” kan worden vermeden. Er zijn “stevige woorden gesproken”, bevestigen deelnemers, maar na afloop was de conclusie unaniem: er zit weer muziek in de samenwerking.

En er valt meer verheugend nieuws te destilleren uit de verhoren van Van Traa. Nu de commissie volgende week toekomt aan de politici, kan worden vastgesteld dat Van Traa circa vijftig functionarissen van politie en openbaar ministerie heeft opgeroepen. Buiten de Randstad loopt de misdaadbestrijding blijkbaar op rolletjes, want van de vijftig die in de Eerste Kamer werden doorgezaagd over de fouten bij de aanpak van de zware misdaad, werken er maar acht in de 'provincie'. Ook is er kennelijk geen reden bijzondere aandacht te besteden aan andere vormen van misdaad dan drugshandel. De bestrijding van zaken als milieucriminaliteit, witte boordenfraude of wapen- en vrouwenhandel zijn vrijwel niet aan de orde gekomen.

De vraag rijst of de enquêtecommissie voldoende aandacht heeft gehad voor de oorsprong van de methode die de afgelopen jaren leidde tot de massale drugsimporten van de politie. Van Traa is bezig te bekijken of er in beslotenheid nog kan worden gesproken met agenten van de Amerikaanse Drugs Enforcement Administration (DEA) en het Duitse Bundeskriminalamt (BKA). Deze liaison-officers kunnen alleen op vrijwillige basis worden gehoord omdat ze een diplomatieke status hebben.

Dat het van belang is om enig historisch perspectief aan te brengen in de analyse van de war on drugs in Nederland - tot nu toe is niet verder teruggegaan dan 1989 - blijkt desgevraagd uit de ervaringen van de drugsbestrijders van het eerste uur. De DEA en het BKA hebben al sinds halverwege de jaren zeventig Nederlandse speurders wegwijs gemaakt in de aanpak van de verdovende middelenhandel. Nadat toenmalig minister van justitie Van Agt in 1977 in de VS de oren was gewassen over de afwezigheid van structurele aandacht voor de georganiseerde drugshandel in Nederland, werd de Hollandse recherche met hulp van de DEA klaargestoomd voor het grote werk. In een cursuszaaltje aan de Amsterdamse Sarphatistraat werden agenten indringend onderwezen door de speciaal overgevlogen DEA-crack Charly Sullivan. In de tweede helft van de jaren tachtig kon dezelfde Sullivan jarenlang zijn missie voortzetten als DEA-liaison in Den Haag.

“Die Amerikanen deden niet kinderachtig”, herinnert een CRI-agent zich die veel met de DEA en de Duitse collega's samenwerkte. In Nederland mag je een verdachte niet uitlokken tot het plegen van strafbare handelingen die hij niet van plan is te plegen. “De DEA doceerde de encouragement-theorie: als iemand eenmaal een boef is, kun je hem per definitie niet uitlokken.”

Samen met agenten van de DEA, die volgens rechercheurs begin jaren tachtig onbelemmerd toegang hadden tot de kaartenbakken van de CRI, werden de aan te pakken criminele netwerken in kaart gebracht. Doorleveren van drugs was geen probleem. “Het kwam voor dat we zelf flinke partijen heroïne in Pakistan ophaalden in de hoop ermee hier afnemers te kunnen vinden”, aldus een CRI-agent.

Hij drukt zich kras en zelfverzekerd uit. “Wij deden in de drugsbestrijding vanaf begin jaren tachtig alles wat nu naar buiten komt, behalve het spul verbouwen en oproken.” Bij de CRI is opgelucht gereageerd dat er in de slotweek van de parlementaire enquête geen ruimte is gereserveerd voor de connecties met buitenlandse drugsbestrijders.