Ondanks het licht heerst de duisternis

Voorstelling: De erfenis, van Bernard-Marie Koltès, door Toneelgroep De Appel. Vertaling: Paul Beers; regie: Erik Vos. Vormgeving: Tom Schenk; muziek: Matthijs Vos; licht: Lex Caboort. Spel: Christine Ewert, Carline Brouwer e.a.; zang: Dolores A. Revels; trompet: Rajesh Mehta. Gezien: 3/11 Appeltheater, Den Haag. T/m 21/1 aldaar.

Wie niet waakzaam is, gaat snel ten onder. De menselijke wezens in het toneelstuk De erfenis zijn dermate beducht voor deze natuurwet dat hun oplettendheid in paranoia is omgeslagen. Overal zien ze gevaren en vijanden. Door de verhoogde staat van paraatheid waarin zij voortdurend verkeren, is hun chemische en psychische huishouding danig in de war geraakt.

De auteur van De erfenis (1972), Bernard-Marie Koltès, gaat helemaal mee in de gestoorde denkwereld van zijn personages. Dat maakt zijn stuk er niet toegankelijker op. Wanen, nachtmerries en visioenen versmelten tot één grote fantasmagorie die aan het surrealisme van Buñuel en aan de mythische romantiek van Pasolini doet denken. Klokgelui voor de doden in de verte. Brand in de stad. Klokgelui, en Pahiquial, rennend door de velden. Zo luidt de regieaanwijzing voor de eerste scène. En alsof dat niet genoeg, is moet er ook nog een lijk bij. Probeer die brandende stad, dat lijk en die velden maar eens tegelijkertijd op het toneel te zetten!

Regisseur Erik Vos vond een oplossing die geïnspireerd werd door Koltès' passie voor de cinematografie. Op een kale muur in het Appeltheater zien we langzaam vervloeiende projecties, ontworpen door filmer Frans Zwartjes. Forse rode druppels klonteren samen tot een trillende plas. Bloed, denk je automatisch en je weet dat je geacht wordt te huiveren. Maar de nieuwsgierigheid wint het van de huivering, omdat er op de speelvloer zoveel interessants gebeurt.

Het lijk komt binnengereden op een meterslange tafel-op-wieltjes; voor de muur staat een vrouw te zingen; verderop speelt iemand trompet. Zoals voorgeschreven vindt dat alles plaats in een enorm vertrek. Menselijke figuren lijken in een grote ruimte nu eenmaal eenzamer dan in een kleine. Erik Vos versterkt dat effect nog eens doordat zijn ruimte desolaat wit is en hij de figuren een heel eind uit elkaar heeft gezet. Zo ver dat communicatie vrijwel onmogelijk is.

Wanneer ze praten, wenden ze zich nooit rechtstreeks tot elkaar. Hun langs elkaar heenscherende monologen dienen als afweer tegen de bedreigingen die van alle kanten op hen af komen. Enerzijds tracht Vos die bedreigingen zichtbaar te maken door ze op de muur te projecteren, anderzijds houdt hij ze extra vaag. De onderlinge relaties, in Koltès' tekst toch vrij duidelijk, zijn hier behoorlijk raadselachtig. Met de bedoeling natuurlijk om de vervreemding van de personages en hun panische angst voor intimiteit voelbaar te maken.

Hoe verblindend licht de ruimte ook is, als toeschouwer tast je vaak in het duister. Dat het huis in een verwoeste vlakte staat; dat Pahiquial, de nieuwe eigenaar van het huis, een jeugdige erfgenaam is; dat Thérèse zijn vriendin is, Anne-Agathe zijn moeder en het lijk zijn vader - dat weten we alleen dankzij het programmaboekje.

De taal in dit eerste toneelstuk van Koltès, een Fransman die zes jaar geleden aan aids overleed, is nu eens poëtisch, dan weer ronkend-bombastisch. De pathetische accenten liggen de spelers van Toneelgroep De Appel het best. Christine Ewert als de moeder hangt rauw lachend in een fauteuil, zoekt wanhopig naar warmte en staat direct met een machinegeweer klaar om het object van haar affectie neer te knallen. Dat object is het paniekerig-leutige Hoofd van het Huispersoneel, gespeeld door de immer geaffecteerd sprekende Eric Schneider. Ook Wannie de Wijn als Pahiquial en Hugo Maerten als de tweeslachtige Ariée buiten hun retorische talenten flink uit en schurken daarbij tegen het groteske aan. De enige die Koltès' lyrische kant volledig tot z'n recht laat komen is Carline Brouwer, een opstandige, breekbare en bijna ontroerende Thérèse.