Niet Marx en niet markt

Mijn werkkamer ziet uit over de heuvels van Boeda, het stadsdeel aan de westoever van de Donau. Aan de overkant ligt Pest, onder een wolkendek van benzinedamp. Daar hebben wij hierboven geen last van. De huizen staan met gepaste eerbied een tuinbreed uit elkaar, her en der zijn boompartijen en bosschages. Maar een echt rijke wijk is het hier niet. Na de oorlog zijn flatgebouwen terechtgekomen tussen de vooroorlogse villas met hun pilaren die ook maar van beton zijn. Bij de buitendeuren hangen evenveel naambordjes als de gevels ramen hebben.

Dit was een buurt voor mensen die werkten in de dampkring van de communistische partij of bij de overheid, voor ambtenaren en academici die hier alvast een voorschot namen op de welvaart die historisch noodzakelijkerwijs weldra ook de arbeiders en boeren ten deel zou vallen. Ik zie ze af en toe met oude koppen langsschuifelen, zo te zien na een lang en zorgelijk arbeidsleven dat dan ook de verkeerde jaartallen omspande. Maar langzaam aan worden de woningen overgenomen door een nieuwe generatie, en die hebben hun geld niet verdiend bij de overheid, maar hebben zich weten te weren in de vrije markteconomie. Als buurman zie je dat meteen: het is het verschil tussen een Lada en een BMW voor de deur ('tussen een Trabant en een Mercedes' zou overdreven zijn: dit is exacte wetenschap).

Het is een welvarende maar niet een steenrijke buurt, de bewoners sjouwen zelf met de boodschappen en de grootouders zie je met de kinderwagen sjorren. Rijke mensen hebben daar personeel voor, en echt rijke mensen hebben personeel om op hun personeel te passen. Met minder blijft het broddelen.

De nieuwe rijken van Boeda hebben hun verzamelplaats in het pasgebouwde winkelcentrum Budagyöngy dat in Amstelveen of Heemstede net zo zou misstaan: opgemetseld uit lichte baksteen in bogen en welvingen, ruimschoots voorzien van glazen vides en met een binnenplein over de volle breedte, het geheel aangezet in de postmoderne contrastkleuren turquoise en bordeau. In dat winkelcentrum is Schotse zalm te krijgen, Franse kaas, Hollandse beschuit en Zwitserse chocola. In de boutiques liggen de wereldmerken: Chevignon en Boss, Harley Davidson en Armani, met daartussen af en toe een merk dat ijskoud doet of het ook wereldbekend is: zoals het volstrekt onbestaanbare kledingmerk 'Titti'.

Die wereldmerken hebben in een woelige consumentenmarkt een rationele functie. Als je zelf niet zo'n warenkennis hebt en ook niet jarenlang koopt bij hetzelfde vertrouwde adres, dan is de kans op een miskoop groot en is het heel verstandig om twintig procent extra te betalen voor een merk als Boss of Lézard met de garantie dat je daarmee de bovenkant van de middenkwaliteit in huis haalt.

Maar mijn kennissen vinden dat maar goedpraterij, niet alleen het assortiment, vooral het publiek van dit koopcentrum wekt hun weerzin. Zij nemen de cliëntèle kwalijk dat die haar geld verdiend heeft in de privatisering, door voor een prikje achterom een bedrijf op te kopen, of als bedrijfsleider voor eigen rekening te beginnen, of door met een eigen onderneming een grote slag te slaan. Dat vinden zij verkeerd.

Maar het gaat hun niet alleen om al dat geld dat beter terecht had kunnen komen, ze verafschuwen vooral de nodeloosheid en de overdaad van die consumentenkooi.

Dan komt er zo een hooggehakt en hooggekapt dametje voorbij in een nappa-leren pakje met een jakje en een mini, volgespijkerd met gouden noppen en insignes, aangegord met rissen, tressen, gespen, en in de kraag nog een sjaaltje met jachttafereel, wat ik eigenlijk wel leuk vind, met aan haar zijde een man die dik en toch heel stevig is, met horloge, ringen en ook al een kapsel, en achter hen aan wuift een sluierstaart van wufte geuren, en ja een zaktelefoon, en zes tassen met nieuwe kleren, comestibles, speelgoed, en keukenapparatuur, dan is dat inderdaad het nieuwe Hongarije en mijn kennis in haar uitgewassen spijkerbroek en T-shirt van drie dollar (wat hier veel is) op merkloze voetsoepele gympen met haar krullen vanzelf in reidans om haar onopgemaakte hoofd, die moet daar niets van hebben.

Mijn vrienden zouden willen dat het hier sober bleef, maar zonder armoede en zonder onderdrukking. Ze zijn de enigen niet. De klussenman komt langs om oude dingen te herstellen, afzuigkap en stopcontact, deurgreep en kabeltje. Het kan toch nog allemaal heel goed mee, met een kleine reparatie, miemt hij mij voor met een mond vol achterstallig onderhoud. Mijn dertigdelig zakmes wijst hij af, 't kan ook met een half scheermesje. Als ik hem een glaasje fris aanbiedt gebaart hij dat zijn slag liever gewoon uit de kraan drinkt; in zijn onnavolgbaar finoegrisch taaleigen hoor ik hem tandeloos mompelen: 'gemeentepils'. Ik ben woordeloos op mijn plaats gezet, een westers luxebeest door consumptiedwang beheerst.

Opeens herken ik hem, maar al te goed. Die had je in Nederland ook, veertig jaar geleden. Zo iemand had dan de oorlog nog meegemaakt, bloembollen gegeten in de hongerwinter, en was in de crisisjaren nog aan de schop en de kruiwagen gezet. En toch nooit meer zo gelachen als juist in die jaren.

Een verlangen naar roggebrood, schipperstrui en samen rond de salamander welt hevig op. Maar om sober te blijven als her en der de welvaart opsteekt en de zucht naar weelde om zich heen grijpt, daar moet je of heel jong voor zijn, heel gelovig of echt wijs.

Daar is de tijdgeest niet naar. Dit is de eeuw van de emancipatie. En helemaal aan het einde, vlak voor het millennium, komen na alle vernederden en vertrapten, als allerlaatsten de rijken aan de beurt. Eindelijk durven zij zich te vertonen en verbergen niet langer het schuldig geheim van hun weelde, komen openlijk uit voor hun winzucht, die geen ziekte is en geen zonde, maar gewoon een algemeen menselijke neiging.

Ook in dat stuurse, kale, nog zo sobere Hongarije.