Koninklijke Shell houdt niet van optimisme

ROTTERDAM, 4 NOV. De kwartaalcijfers hadden niet mooier kunnen zijn, en toch moest de Koninklijke/ Shell Groep het deze week op de aandelenbeurzen ontgelden. Maar waar analisten een koersstijging voorzagen na de gunstige kwartaalcijfers - het invloedrijke Amerikaanse huis Merill Lynch had op woensdag alvast een koop-advies afgegeven - daalde het aandeel na bekendmaking van de cijfers en de bijbehorende vooruitzichten.

Aan Shells resultaat - een winststijging van dertig procent - lag dat niet. Eerder was dit het gevolg van het feit dat het concern zijn uiterste best deed de verwachtingen voor de komende tijd flink te temperen.

Shells Britse topman John Jennings zei donderdag op een conferentie in Londen dat de olieprijs, gemeten in dollars per vat Noordzee Brent-olie, de komende tien jaar wel eens tussen de 12 dolar en 18 dollar zou kunnen blijven schommelen. Dat zou vergaande consequenties hebben voor de winstgevendheid van Shells upstream-activiteiten, de exploratie en winning van ruwe olie en gas, waar de winstmarges liggen tussen de vaste kosten van winning en de variabele opbrengst tegen de prijs op de wereldmarkt.

Shell maakte bij de presentatie van de cijfers ook gewag van een verzwakking van de prijzen en de vraag in de chemiesector, die tot ver in 1996 kan aanhouden. In de raffinage, Shells downstream-activiteit, zijn de winstmarges dit jaar opgelopen na de desastreuze maanden rond de jaarwisseling, maar Shell wijt dit voor een groot deel aan de relatief omvangrijke onderhoudswerkzaamheden in de Eureopese raffinagesector, waardoor een deel van de concurrentie stil lag. Dat is over, en bovendien wordt er, aldus Jennings, op dit moment zoveel raffinage-capaciteit gepland in Zuid-Oost Azië dat daar een overcapaciteit op de loer ligt, met alle gevolgen voor de wereldwijde winstmarges.

De waarschuwende toon die Shell aldus liet horen voor alledrie de hoofdactiviteiten, vatte het concern nog eens samen in de conclusie dat zij de komende tijd moeten opereren in een “moeilijk klimaat”. En daar heeft de aandelenhandel wel oren naar. Tot nu toe is het aandeel Shell Transport & Trading in Londen dit jaar al 12 procent is achtergebleven bij de rest van de beurs, en het aandeel Koninklijke is op een koers van 194 gulden in Amsterdam sinds eind 1993 per saldo niets opgeschoten.

Toch is er wel het nodige af te dingen op Shells doemscenario. Allereerst heeft het concern een reputatie van voorzichtigheid. Dan is er ook nog de door bedrijfsactiviteiten gegenereerde kasstroom, die dit kwartaal met bijna 50 procent steeg. Per 30 september bedroeg Shells totaal aan effecten en liquide middelen 8,3 miljard pond, tegen 8,8 miljard pond aan leningen, waarmee het concern op een kas-overschot afstevent dat kan resulteren in een verhoging van het dividend.

Bovendien kan het concern er op dit moment belang bij hebben om de eigen vooruitzichten te temperen. Het enige antwoord op een minder gunstig bedrijfsklimaat is het beheersen van de vaste kosten. Op dit moment loopt een wereldwijd reorganisatieprogramma met dat doel. In Nederland kost dat banen in Moerdijk en Pernis, en op de Haagse stafafdelingen. Dat het concern op dit moment financieel voor de wind gaat, kan lastig zijn voor de interne motivatie om het programma door te blijven voeren. Zo is het rendement op het gemiddeld geïnvesteerd vermogen (ROACE), waaraan het management de prestaties van de Shell-Groep afmeet, in het derde kwartaal gestegen tot 12,66 procent.

De Shell-top had eerder dit jaar gezegd te streven naar een ROACE van minimaal 12 procent voor alle activiteiten - inclusief nieuwe investeringsprojecten - en 15 procent voor de lopende activiteiten. Nu het ROACE de 12 procent al is gepasseerd, is dat streefdoel uit de kwartaalberichtgeving weggelaten en wordt alleen gewag gemaakt van het doel van 15 procent.

Dat doet denken aan de Wet van Goodhart, genoemd naar de Britse monetair econoom Charles Goodhart. Die wet zegt dat als een centrale bank het beleid vastlegt op het verloop van één variabele, die variabele zich onmiddellijk gaat misdragen. De Amerikaanse en Duitse centrale banken ondervonden dat de afgelopen jaren met de binnenlandse geldhoeveelheid. Wellicht dat de Wet nu ook buiten de monetaire economie toepasbaar is - op de rendementsdoelstelling van de Koninklijke.