Kloof

Onder de kop 'Vage Kloof' recenseerde Mark Kranenburg op 28 oktober de publikaties De Nederlandse Kiezer 1994 (Red. Van Holsteyn en Niemöller) en Kiezersonderzoek op een Dwaalspoor (Visscher), waarbij hij en passant ook nog Het Grote Ongenoegen (Van Gunsteren en Andeweg) meenam.

De recensent voert dat laatste boek op als voorbeeld van een 'Leidse School' in de politicologie, waarvan het kenmerk zou zijn dat het bestaan van een kloof tussen burger en politiek wordt ontkend. De auteurs betogen daarin echter dat afkeer van politiek van alle tijden is, maar dat deze kloof recentelijk niet is gegroeid. In het boek wordt ook vermeld hoe die conclusie door vakgenoten van diverse universiteiten gedeeld wordt, zodat in dit opzicht van een 'Leidse School' geen sprake is. Dat blijkt overigens ook uit het feit dat Kranenburg zelf de Twentse onderzoeker Thomassen aanhaalt die in De Nederlandse Kiezer 1994 meldt dat het met de tevredenheid over de Nederlandse democratie niet zo slecht is gesteld. Kranenburg construeert vervolgens een tegenstelling tussen deze Thomassen en de parlementair historicus Visscher, die in Kiezersonderzoek op een Dwaalspoort beweert dat het soort onderzoek waarop Thomassen zich baseert, het niveau van de belangstelling voor politiek overschat, omdat ongeïnteresseerden steeds vaker zouden weigeren aan de enquête mee te werken.

Thomassen schrijft expliciet: “Een kanttekening hierbij zou overigens kunnen zijn dat sinds 1972 de non-response bij het Nationaal Kiezersonderzoek (NKO) sterk is toegenomen (...) Wellicht bestaat er een samenhang tussen negatieve gevoelens over de democratie en de bereidheid aan enquêtes over politiek deel te nemen.” En in het gerecenseerde boek maakt Anker een schatting van het effect van weigeringen om aan het onderzoek mee te werken op onder meer de in het onderzoek gemeten politieke belangstelling. Kranenburg had zijn lezers dan ook moeten melden dat Visschers door hem geciteerde stelling dat “een hele generatie hoogleraren politicologie en andere ervaren onderzoekers” dit probleem negeren, aantoonbaar onjuist is.

Anker komt in De Nederlandse Kiezer 1994 uiteindelijk tot de conclusie “dat het non-response-probleem weliswaar niet gebagatelliseerd mag worden, maar dat de vertekening in het NKO 1994 als gevolg van non-response over het algemeen waarschijnlijk beperkt is”. Visscher stelt daar tegenover dat nagenoeg alle mensen die weigeren aan een enquête mee te doen, geen belangstelling voor politiek hebben. Dat is heel onwaarschijnlijk, al was het maar omdat bekend is dat er ook andere redenen zijn om niet aan enquêtes mee te werken (geen tijd, liever geen vreemde binnen laten, geen zin, enz.) Wellicht heeft Kranenburg argumenten om het met Visscher eens te zijn, maar die worden de lezer onthouden.

Overigens concludeert ook Visscher in zijn pamflet dat de belangstelling voor politiek de afgelopen twintig jaar niet structureel is gedaald. Het heeft er de schijn van dat Kranenburg zozeer in een kloof tussen burgers en politiek gelooft dat hij uit de literatuur alleen oppikt wat hem in dat kloofdenken bevestigt.