Kapitalistisch succes aan het oostfront

ANDERS ÅSLUND: How Russia became a market economy

378 blz., The Brookings Institute 1995, ƒ 39,30

Rusland krabbelt uit de economische afgrond waarin het echec van de commando-economie de grootste republiek van de voormalige Sovjet-Unie had gestort. Voorzichtig klinkt een zeker optimisme door over de economische vooruitzichten van Rusland. Volgens internationale instellingen zoals de Wereldbank, het IMF en de OESO is het keerpunt in de eerste helft van 1995 bereikt en zet het herstel volgend jaar door.

Deze positieve geluiden over de Russische economie vormen een empirische ondersteuning voor de stellige bewering van Anders Åslund dat het belangrijkste doel van de Russische economische overgang is bereikt en dat de hervormingen vruchten afwerpen. Rusland, aldus Åslund, is een markteconomie geworden.

Åslund is niet de eerste de beste. Voorafgaande aan de ineenstorting van het communisme was deze Zweedse econoom (44) van het Stockholm Institute of East European Economics een van de weinige Westerse experts op het gebied van de Sovjet-economie. Van november 1991 tot januari 1994 was hij, met Jeffrey Sachs van Harvard, de belangrijkste buitenlandse economische adviseur van de Russische regering. Op het ogenblik adviseert Åslund de regering van de Oekraïne bij de hervormingen en werkt hij in Washington bij de Carnegie Endowment for International Peace.

De eerste helft van 1994 was Åslund als gast verbonden aan het Brookings Institute in Washington, waar hij tijd en ruimte kreeg om zijn ervaringen uit te werken tot een boek. Het zojuist verschenen How Russia became a market economy is het verslag van de economische omwenteling die zich in Rusland voltrok tussen 1991 en 1994, de slag om de radicale hervorming van de commando-economie in een markteconomie. In tegenstelling tot wat veel sceptici menen, is die slag volgens Åslund, gewonnen, ook al erkent hij grif dat het 'diefstalkapitalisme' in Rusland stevig wortel heeft geschoten.

Massa-privatisering

In het begin van het boek geeft Åslund de essentie van een markteconomie weer: het bestaan van markten voor produkten, arbeid, kapitaal en onroerend goed. De politieke hegemonie van de een-partijstaat moet zijn doorbroken, de economie moet zich hebben geëmancipeerd van de politiek. Dat is volgens Åslund na de mislukte couppoging van augustus 1991 (tegen Gorbatsjov) in Rusland gebeurd. Het staatsmonopolie op de economie werd doorbroken met de massa-privatisering die in de loop van 1994 haar beslag kreeg. De bureaucratische sturing van de economie verdween sinds de liberalisatie van 1992, de monetisering van de economie (dat wil zeggen: de introductie van geldprijzen) kreeg eveneens zijn beslag in 1992, hoewel daarna grote problemen met de stabilisatie van de roebel bleven bestaan. Van de tweede helft van 1993 af werd krediet schaars gemaakt.

De kern van een succesvol hervormingsprogramma bestaat volgens Åslund uit de opbouw van democratische instituties, macro-economische stabilisatie van de munt en liberalisatie van de prijzen en de handel, alsmede privatisering op grote schaal. Rusland heeft, vier jaar nadat het ernst maakte met de hervormingen, deze drie taken uitgevoerd. Zelf geeft hij ook drie tegenwerpingen: het Russische juridische systeem is buitengewoon zwak ontwikkeld, het particuliere eigendom is nog niet doorgedrongen tot de grote staatsconglomeraten en de inflatie is nog altijd veel te hoog. Daaraan kan de ongekende diefstal van staatseigendom door een handvol managers en machthebbers worden toegevoegd. Niettemin concludeert hij: “Rusland is een markteconomie, ook al is die chaotisch en onvolledig, en dat is het geval sinds het einde van 1993.”

Gedrevenheid

Aan de hand van zijn directe betrokkenheid bij de besluitvorming, de machtsstrijd en de conflicten tussen voor- en tegenstanders van de hervormingen doet Åslund vervolgens uit de doeken wat zich in Moskou tussen 1991 en eind 1994 heeft afgespeeld. Hij doet dat met gedrevenheid, systematisch en met een onwrikbare overtuiging. De desolate staat van de economie op het moment dat de Sovjet-Unie in elkaar stortte, de opstelling van het hervormingsprogramma, de betrekkingen tussen de ex-Sovjet-republieken, het proces van liberalisatie van prijzen en handel, de moeizame strijd voor stabilisatie van het geld en het privatiseringsprogramma worden uitvoerig behandeld. Daarbij verzuimt Åslund niet om de tegenwerking, de mislukkingen en de gemaakte fouten te beschrijven.

Het grootste obstakel voor hervormingen bestond volgens hem uit de oude communistische elite van de staatsbureaucratie en de managers van de staatsbedrijven. Zij konden zich de woekerwinsten toeëigenen die mogelijk waren in een pervers en corrupt economisch systeem. Dit waren niet zozeer de managers van het militair-industriële complex, betoogt Åslund. Het militair-industriële complex, oppermachtig in de oude Sovjet-Unie, verloor veel invloed doordat de staat de militaire uitgaven drastisch terugbracht. Tussen 1991 en 1993 kelderde de produktie van militaire goederen met 68 procent. De 'winnaars' waren de lobby van de landbouwsector (25.000 managers van de sovchozen en kolchozen) en van de energiesector, de olie- en gasindustrie. De eersten dwongen iedere herfst enorme subsidies af; de energielobby vocht met succes voor belastingvrijstellingen en tegen de vrijlating van de binnenlandse prijzen voor olie en gas, zodat het buitengewoon lucratief bleef om deze energiedragers aan de binnenlandse markt te onttrekken en tegen veel hogere prijzen op de internationale markt te verkopen. Olie en aardgas vormen de helft van de Russische export. De 'privatisering' van de olie- en gasbedrijven kan de geschiedenis ingaan als een van de meest spectaculaire overdrachten van rijkdom aan een kleine groep mensen die ooit heeft plaatsgehad. In de steenkolenindustrie speelde bovendien de macht van de vakbonden - volgens Åslund de enige sector waarin de vakbeweging in Rusland sterk is - een rol.

Op grond van eigen onderzoek maakt Åslund aannemelijk dat de Russische economie aanzienlijk minder gekrompen is en dat bovendien het levenspeil veel minder is gedaald dan algemeen wordt aangenomen. Hij komt uit op een reële daling van het bruto nationale produkt (1991-1994) van ongeveer 20 procent (volgens officiële statistieken bedroeg de daling 38 procent). Ook de daling van de consumptie schat Åslund lager dan anderen. Hij erkent dat de hoge inflatie, de prijsliberalisatie en de daling van de inkomens een sociale schok teweeg hebben gebracht. Maar daar staan tegenover de groei van de informele economie, de toeneming van de teelt van eigen groente en fruit op de datsja's (eerder volkstuintjes dan buitenhuisjes) en de stijging van het algemene economische welzijn door het verdwijnen van schaarste en de verruiming van het aanbod van kwalitatief betere produkten. De particuliere consumptie is aanzienlijk toegenomen en legt nu beslag op een groter deel van de economie dan vóór 1991, hoewel nog steeds veel minder dan in westerse landen.

Herverdeling

De Russische inkomensverdeling is nu ruwweg vergelijkbaar met die in Groot-Brittannië. Er is minder inkomensongelijkheid in Rusland dan in de Verenigde Staten. Opmerkelijker is de herverdeling van inkomen: van de ouderen naar de jongeren, van de ongeschoolden naar de hoger geschoolden, van de stad naar het platteland, van de industrie naar de financiële dienstverlening, handel en vrije beroepen.

Åslund concludeert: “De ineenstorting van het communisme ging zeker met kosten gepaard en de reële inkomens daalden, vooral in 1991. Maar het is onwaarschijnlijk dat er na 1991 sprake was van een omvangrijke daling van de gemiddelde levensstandaard”. Hij komt op een totaal welvaartsverlies sinds 1991 van maximaal tien procent.

Een handjevol Russen drukte de hervormingen vanaf eind 1991 door onder het leiderschap van president Jeltsin die overigens al snel zijn belangstelling voor de economische hervormingen verloor. Jegor Gaidar zette de hervormingsstrategie uit en begon de prijsliberalisatie maar hij slaagde niet in de stabilisatie van de munt. Boris Fjodorov maakte vorderingen met de stabilisatie, terwijl Anatoli Tsjoebais verantwoordelijk was voor de privatisering. De financiële en economische steun uit het buitenland bij het hele hervormingsproces was al die tijd minimaal en, volgens Åslund, vaak ook nog totaal verkeert. Zo hekelt hij de aandrang van het Internationale Monetaire Fonds om voor alle ex-Sovjet-republieken de roebelzone in stand te houden. Aan het slot van zijn beschouwing trekt Åslund bredere conclusies over het overgangproces van een commando- naar een markteconomie. Stabilisatie van de inflatie en van de munt, alsmede liberalisatie van prijzen en handel moeten zo snel en zo radicaal mogelijk worden doorgezet. Ondernemingen moeten niet langer aanspraak kunnen maken op subsidies van 'zachte' overheidsbudgetten, maar tot aanpassingen worden gedwongen door middel van een hard monetair beleid. Politieke pluriformiteit vormt de beste manier om de macht van lobby's, met uitzondering van die van de landbouwsector, te breken.

“Het was dus toch mogelijk om een bewuste, opzettelijke economische verandering in Rusland op gang te brengen”, schrijft Åslund. De wetten van de markteconomie werken ook in Rusland en de kosten van de transformatie zijn veel lager gebleken dan verwacht was. Natuurlijk, de criminaliteit, de schaamteloze verrijking door 'insiders', de onvolledige maatregelen, de bureacratische structuur en vooral de restanten van de controle-economie in de energiesector vormen nog altijd belemmeringen voor de vervolmaking van een markteconomie.

“Wie zou ooit geloofd hebben dat de ontmanteling van het communisme zo goedkoop zou zijn?” stelt Åslund provocerend aan het slot. Voor hem is het bewijs geleverd dat Rusland zich heeft hervormd tot een levensvatbare markteconomie. Zijn directe betrokkenheid bij dat proces heeft een studie opgeleverd die van het grootste belang is voor iedereen die beseft hoe monumentaal de omwentelingen zijn die zich in het ex-communistische imperium afspelen.