Column

Jol

Irene gaat bij Beatrix op bezoek, rijdt Den Haag binnen, denkt opeens: laat ik eerst even boodschappen doen, schiet een onbekende groentewinkel binnen en hoort daar de spinazie tegen het witlof zeggen: “Heb jij gisteren Jol hier nog gezien?”

Waarop het witlof zegt: “Ik niet.”

“Hij denkt dat Volendam van Ajax wint en heeft zijn geld op de palingvissers gezet”, lacht de andijvie en gaat verder tegen de knolselderij over het nitraatgehalte van de kas-tomaten. Uiteindelijk hebben de laffe worteltjes het op de veiling rond geroddeld en dan gaat het snel. Via een groentewinkel in Harderwijk kwamen de dolfijnen het te weten en zo is het in het Oibibio-circuit terecht gekomen. En toen Irene het via die spirituele kringen voor de tweede maal hoorde wist ze dat het met de carrière van scheidsrechter Dick Jol gebeurd was.

Gokgeil las ik in de krant, tricky Dickie is zijn bijnaam en via de televisie mocht zijn ex-vrouw ook nog even haar gram op de verslaafde Scheveninger halen.

Voor de kijker is dit smullen geblazen en onmiddellijk moet ik denken aan vijfentwintig jaar geleden. Ik mag namelijk over Dick Jol geen enkel oordeel vellen, daar ik ooit hetzelfde heb gedaan. Ik was zestien jaar oud en coach van jongetjes D-1 van de Gooische Hockey Club. In die tijd floot de coach samen met de elftalleider van de tegenpartij ook de wedstrijden, dus u begrijpt . . .

Op een dag kon mijn team kampioen worden en ze moesten maar één ding doen: winnen! In de rust stonden 'mijn mannen' met 1-0 achter en ik beloofde mijn team het volgende: bij 1-1 zouden ze allemaal een Mars krijgen, bij 2-1 een Mars èn een flesje en bij 3-1 mochten ze bij mij thuis pannekoeken komen eten. Ik woonde nog bij mijn ouders.

Joelend liepen de kereltjes het veld in. En het kapitalistische beloningssysteem werkte. Binnen de kortst mogelijke tijd scoorde Basje Klinkhamer 1-1 en hadden zij de Mars in de tas. Maar de mannen gingen door voor het flesje en neem van mij aan: dit was belangrijker dan het kampioenschap. De druk werd verhoogd en tien minuten voor tijd scoorde Bas, de Cruyff van D-1, zijn tweede doelpunt. 2-1. Voor mij was dat geen probleem. Het geld voor elf flesjes en elf Marsen had ik uiteraard niet, maar er stond altijd wel een rijke Gooische vader langs de lijn die mij wilde sponsoren. Maar toen gebeurde het: één minuut voor tijd brak Bas Klinkhamer virtuoos door. Hij passeerde op uiterst legale manier een mannetje of vier, had toen een vrij veld voor zich, omspeelde in de cirkel op zeer behendige wijze de keeper en snoeide de bal loeihard in de hoek. Ik had een tiende seconde de tijd om na te denken; ik zag mij bij mijn ouders niet aankomen met elf van die opgeschoten mannetjes, maar ik was bij die jongens in dat seizoen zo populair geworden dat ik het niet kon maken om te zeggen dat het allemaal niet doorging en floot voor 'sticks'. Sticks is de regel dat de stick niet boven de schouder uit mag komen en die regel werd vooral gehanteerd als je daarmee een tegenstander hinderde, maar in dit geval hinderde Basje niemand. Sterker nog: hij maakte helemaal geen sticks.

Maar dit kon ik mijn ouders niet aandoen, dus ik keurde het doelpunt af. Elf kleine kakkertjes stonden op mij in te schreeuwen en maakten mij voor alles uit wat lelijk was. Ik ben niet zo ver als Jol gegaan door de grootste bek een rode kaart te geven. Daarvoor wist ik te goed hoe fout ik was. Vorig jaar kwam ik een Amsterdams café binnen en trof daar stomtoevallig Bas Klinkhamer, inmiddels een man van begin dertig, in gezelschap van zijn hoogzwangere vrouw, hij keek mij aan en het eerste wat hij zei was: “En toch zat ie.” Ik wist onmiddellijk waar hij het over had en bekende hem mijn motieven. We hebben wat gedronken, ik heb honderdduizend excuses gemaakt, maar Bas bleef wantrouwend naar me kijken. En terecht. Op elfjarige leeftijd heb ik hem fundamenteel belazerd. Ik had dit laffe verhaal nooit tegen iemand verteld. Nou ja, één keer, net als Irene, tegen een oude Beuk in het Amsterdamse Bos. Dat zijn dan van die intieme gesprekken die niemand iets aangaan. Dan zeg ik ook altijd tegen de kleine berkjes: “Gaan jullie even het bos uit.”