Joelende zaadschieters (Plokken)

“Maar tegelijk, o klimop, die mijn slaap beroert,/ hebt gij mij naar een verre zomernacht ontvoerd./ Ik lig in een prieel, ik ben een zieke jongen,/ en zij zit bij me en heeft ons lievelingslied gezongen.” Zo klinken de regels van M. Nijhoff in mijn hoofd, al heeft hij ze later herdicht tot “Dan, klimop, koude plant, die aan mijn slapen drukt,/ dan is het wonder dat gij steeds weer doet, gelukt./ Ik lig in het prieel, ik ben een zieke jongen, /en zij zit naast mijn bank en heeft een lied gezongen.” De klimop die Nijhoff deze dichtregels ingaf overwoekerde een ziekenhuismuur, waarachter zijn zieltogende moeder werd verpleegd. Het gewas bracht hem terug naar zijn kindertijd, zoals bloeiende meidoorn en de befaamde madeleine Marcel Proust hielpen bij het zoeken naar diens verloren tijd.

In dit jaargetijde, waarin de meeste planten verdorren maar de klimop opvallend groen blijft, slaat weemoed om de haverklap toe: op weg naar mijn werkschuur op het platteland loop ik de afgelopen weken over een knisperend tapijt van beukenootjes en eikels. Alsof je over broze botten banjert, per ongeluk talloze geraamten vertrapt. Nieuwsgierig pel je een nootje; dit jaar zijn ze bijzonder groot en smakelijk. Het peinzend savoureren van zo'n kleinood, geraapt in een zee van eikels, slaat een brug naar het helaas in onbruik geraakte plokken.

Het lijkt een intieme vraag: wanneer heeft u voor het laatst geplokt? Bent u ooit geplokt? Neen, plokken is iets anders dan plukken; men kan het bovendien alleen doen in dit seizoen, er zijn verse eikels voor nodig. Niet de zaden van de Amerikaanse eik, maar die groene langwerpige joekels. Zonde om ze aan de varkens te voeren, vonden wij vroeger, je kon er immers prima mee plokken. Met één eikel kon je twee keer schieten. Ik mocht niet plokken, mijn ouders vonden het te gevaarlijk, maar: a'j de olde luu alles an de neuze hangt, valt ze veuroaver, toch? Wat je nodig had was een stuk plastic elektriciteitsbuis, niet langer dan een halve meter, plus een zakmes. En een rechte wilgetak, iets dikker van diameter en net iets langer dan de buis. Aan het einde van de stok liet je een gedeelte ongemoeid, bij wijze van handvat en stootrand, de rest schilde en sneed je zo dun dat de buis er gemakkelijk overheen schoof. Dan kwam de finesse: het maken van de plok. Met spuug het geschilde eind natmaken en daarmee net zo lang op een steen stoten tot er 'een vezelige, draderige, pluizige massa' (WNT bij plok) ontstaat. Denk aan het kapsel van Willy Wortel en aan het sabbeleind van zoethout. En dan op naar de verse, dofglanzende eikels: kies een grote uit en snijd die doormidden, leg de helften met de snijkant naar beneden op een stevige ondergrond en pers de buis er met kracht overheen. De gehalveerde eikel sluit nu de opening af (net als bij het aardappelpistool). Duw de plokstok voorzichtig in de andere kant van de buis. Plaats de contraptie tegen de buik, pak de buis met beide handen vast, span de buikspieren en trek de buis met kracht naar u toe. Overigens noemt mijn elf jaar oudere broer het spelletje 'ploffen' en 'proppeschieten'; hij gebruikte een stevig stuk vlier en peuterde het merg er uit. Hij groeide echter op in het noorden en ik in het oosten van het land.

Voor een volwassene zal het een curieus gezicht zijn geweest, een groepje jongens en meisjes die keurig in het gelid een wedstrijd deden wie het verst kon schieten. Een batterij joelende zaadschieters, urenlang druk met compressie. Sommige kinderen maakten er ook nog een suggestieve duwbeweging bij. Halve eikels vliegen verder dan Freudianen voor mogelijk houden. Bij nader inzien is het een uiterst symbolisch, leerzaam en seizoengebonden spelletje. Niet zozeer als plastische oefening voor de geslachtsdaad, daar dacht je als tienjarige niet aan, zelfs niet als je zag dat paarden paarden. Plokken is eerder het leven in een notedop. Je moèst het doen, vooral omdat het verboden was. Het voorbereidende werk is niet vrij van dubbelzinnigheid. Het kiezen van de juiste stok, het schillen en het vervaardigen van de kwast aan het uiteinde: te vergelijken met het zoeken naar de mooiste partner en het ontluiken van de seksualiteit. Het eikelklieven spreekt voor zicht, net als het voorzichtig inbrengen van de plokstok en het ruwe trekken aan de pijp. Om over de ontploffing maar te zwijgen.

Olde luu wodt meestal veur achterluk an'ezien. Moar at de jongelu wat older wodt en meer van het leven leert, zeet ze pas dat de olde luu zo achterluk neat waren. Dat moet ik mijn ongeneeslijk zieke, zienderogen wegkwijnende moeder maar gauw gaan zeggen, voor je het weet wordt de laatste strofe van Nijhoffs gedicht manifest: “Dromer” zegt het klimop “klim van het muurtje af, /ga heen en leg een deken op je moeders graf./ Zij moet het op den duur ontoegedekt koud krijgen/ in 't klimop waar zij ligt en de sterren ziet stijgen.”