Jan Fabre geeft zich over aan de wanorde

Voorstelling: Universal Copyrights 1 and 9 door Troubleyn. Regie: Jan Fabre. Tekst: Jan Fabre, Michel Nostradamus. Met: Sebo Bakker, Els Deceukelier, Albert de Groot, Emio Greco. Gezien: 3/11, Rotterdamse Schouwburg. Nog te zien: aldaar vanavond.

Clowns zijn triest, dat weet iedereen, het is de keerzijde van hun grollen. Maar in Universal Copyrights 1 and 9, de nieuwe theaterproduktie van de Belgische beeldend kunstenaar en theatermaker Jan Fabre, is hun droefenis zo groot, dat ze naar de dood verlangen. Een buigzaam, hartvormig kleerhangertje, aanvankelijk aan een van hen cadeau gedaan, wordt tot hun grote tevredenheid een wurgketting. Even aandraaien en het leed is geleden. Ze willen er allemaal een om hun nek en slachtoffer worden. Ze willen dood, kennelijk een benijdenswaardige staat.

Het is broeierige melancholie die in het eerste deel van deze viereneenhalf uur durende voorstelling tot hun genocide leidt. Het eerste half uur zitten ze vrijwel bewegingloos en murw sigaretten te roken. Wie een teken van leven vertoont, een rudiment van een kunstje, wordt afgestraft. Het enige dat nog herinneren mag aan hun status, zijn hun groteske kleren, hun flapschoenen, hun tot over hun wangen geschminkte Pipo-lippen. Ze zijn met z'n achten, maar troost bieden ze elkaar niet. De show is over.

Het is een mooi en bij vlagen grappig begin, deze kleedkamer-Schmerz, vol stil spel en groepsdynamische psychologie. Uitgesponnen ook, net als de rest van de voorstelling. Toch is het idee dat er aan ten grondslag ligt heus niet groot: Fabre, geïnspireerd door de verzen van de zestiende-eeuwse ziener Michel Nostradamus, leest de hand van de geschiedenis. Daarmee loopt het niet goed af, de dood is een uitstekend alternatief. Hoewel - van tijd tot tijd begeleid door de klanken van Beatles-songs (van het legendarische The White Album) raken de clowns van de regen in de drup.

Als in een sprookje leven ze verder. Net als Nostradamus doen ze voorspellingen, om vervolgens spoken en marionetten te worden en vogelverschrikkers (die juist vogels lokken: de wereld staat op haar kop) en uiteindelijk, net als The Beatles, Revolution! te zingen en uit de schedel van Nostradamus wijn te drinken, in de hoop in diens wijsheid te delen.

De vroeger zo strenge vormgever Fabre laat zich gaan in Universal Copyrights: zijn acteurs blèren, trekken bekken, kraaien en krioelen er lustig op los in een veelal chaotische mise-en scène, die nog slechts af en toe de symmetrie vertoont van het oude werk. Het geheel oogt vrij en spontaan, maar dat is vreemd genoeg geen onversneden kwaliteit. De vorm ontbeert de rigiditeit die voorheen bewondering afdwong, het spel is soms zelfs amateuristisch en de montage van de scènes stoplapperig. Nog een heel gedoe maken van het leegruimen van het toneel is irritant, temeer daar Fabre inhoudelijk niets meer te bieden heeft dan een zweverig en vrijblijvend soort cultuurpessimisme. Ja, we gaan ten onder, maar die boodschap had, korter en krachtiger, meer indruk gemaakt.