J. HUIJTS, 1897-1995; Non-conformist tussen twee werelden

De gisteren op achtennegentigjarige leeftijd overleden Johan Huijts was vol overtuiging twee dingen die hij vanuit het perspectief van 1995 maar beter niet geweest had kunnen zijn: stalinist en hoofdredacteur in oorlogstijd van een bovengronds blad. Van beide heeft hij dan ook de zure vruchten moeten plukken.

Afkomstig uit een eenvoudig Rotterdams gezin van elf kinderen, lukte het hem dankzij zijn ambitieuze intelligentie op het Erasmus Gymnasium het bèta-diploma te halen. Dat was in 1917, het derde jaar van de Eerste Wereldoorlog en het jaar van de Russische revoluties. Zonder enig optimisme over zijn toekomst, besloot hij niet door te studeren en kwam vervolgens als eenvoudige corrector bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Waardoor de rest van zijn leven getekend was.

Al snel verveeld door zijn simpele werk, begon Huijts als extraneus in Leiden rechten te studeren. Dat ging hem door zijn intelligentie snel af, zodat hij redacteur bij zijn krant kon worden. Daarnaast had hij een grote artistieke belangstelling voor literatuur, film- en danskunst, wat hem bij diverse literaire bladen en - als medeoprichter - bij de Rotterdamse filmliga deed belanden. Maar tevens raakte hij bijzonder geïnteresseerd in de jonge Sovjet-Unie. Hij leerde Russisch en werd aldus bij de redactie Buitenland de Oost-Europaspecialist zonder concurrentie. Ook schreef hij een door Jan Romein zeer gewaardeerd dik geschiedwerk over de Russische Revolutie. Dit en een paar gesubsidieerde reizen in de jaren dertig naar de Sovjet-Unie gaven al snel aan, dat Huijts' sympathie bij deze nieuwe, wonderlijke staat kwam te liggen, zonder dat hij overigens lid werd van de Communistische Partij. Huijts was te veel non-conformist om zich te binden en hij zag ook wel in dat hij zijn krant geen lidmaatschap kon aandoen. Zodat hij een man tussen twee werelden werd. Voor zover hij vrienden had, waren die meestal links - maar Huijts is altijd een afstandelijke, bijna ongrijpbare figuur geweest, hier en daar gewaardeerd, maar nimmer geïncorporeerd. De vrouwen om hem heen waren belangrijker dan de mannen. Slechts een enkeling wist wat hem nu precies bewoog.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak kreeg Huijts een kans die hij anders nimmer gehad zou hebben en die hij dan ook met beide handen aangreep: het hoofdredacteurschap van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. In de krant van 14 mei 1980 heeft Maarten Rooij nog eens kort beschreven waarom hij zelf ophield met de leiding van de krant en waardoor Huijts zich kwalificeerde om hem op te volgen. Rooij kon naar eer en geweten niet met de Duitse bezetter samenwerken, maar hij meende samen met directie en commissarissen dat de krant wel dóór moest gaan. Huijts maakte duidelijk dat zulks kon door zich praktisch te oriënteren op de kennelijk Duitse hegemonie in Europa, in welke 'nieuwe orde' het socialisme uiteindelijk het nationalisme zou overwinnen. En: Huijts had zich in het vooroorlogse Comité van Waakzaamheid duidelijk tegen het fascisme en de nazi-leer uitgesproken.

Toen Rooij opstapte en de zieke officiële hoofdredacteur mr. P.C. Swart overleed, werd Huijts volledig hoofdredacteur, met bijbehorend salaris en al, om de bezetter geen gelegenheid te geven een eigen figuur te parachuteren. Dat deze bezetter groot wantrouwen tegen de 'communist' Huijts koesterde, was duidelijk. Maar Huijts begon, niet zonder verregaande ambities, een spel. Gewend als hij was in een hem zekere zin vijandige wereld te opereren, gaf hij in zijn hoofdartikelen de Duitsers, al citerend uit hun toespraken en verordeningen, de indruk meegaand te kunnen zijn, zeker wetend dat zijn daaromheen gevlochten schaarse commentaar lastig te doorgronden (en vertaalbaar) was door zijn berucht-moeizame schrijfstijl. Daarnaast poogde hij in de krant zo objectief mogelijk buitenlandse berichtgeving te plaatsen. Waardoor hij in elk geval bereikt heeft dat, na een aanvankelijke afwijzing van de lezers, de krant steeds meer gelezen werd, dat er geen Joodse NRC'ers weg moesten en dat de krant nimmer uitgesproken Deutschfreundlich werd. Naar het na-oorlogse oordeel van de Commissie voor de Perszuivering was Huijts dan ook geen bewuste collaborateur geweest, “voor welk verachtelijk bedrijf de mentaliteit hem vreemd was”. Dat hij desondanks toch net te meegaand was geweest, leverde hem wel enkele jaren ontzetting uit het beroep van journalist op. Waarvoor Huijts overigens begrip kon opbrengen.

Dat begrip gold niet zijn eigen NRC die, om het vege lijf te redden, op 5 mei 1945 Huijts had ontslagen, aanvankelijk zonder enige verdere geldelijke tegemoetkoming, zelfs niet over zijn vooroorlogse jaren! Dat laatste is later enigszins rechtgetrokken, maar van enig ruimhartigheid in welke vorm dan ook is helaas nimmer sprake geweest. Ook wilde de NRC in de Koude-Oorlogsjaren Huijts in geen enkele vorm meer terughebben. En andere kranten of bladen, uitgezonderd een zeer korte periode de Internationale Spectator, wilden dat ook niet. Want Huijts was een getekende geworden - door de oorlog, maar ook door zijn stalinisme. Dat laatste ging bij hem door al zijn ervaringen weer steeds meer een rol spelen. Huijts voelde zich - zijn eigen ambities wat vergetend - gebruikt door vijandige stelsels en keerde openlijk terug tot de oude liefde. Hoewel niet blind voor de kwalijke kanten van Stalin, wenste hij toch zeer nadrukkelijk de gemeenschap op collectieve grondslag, zonder weekhartigheid gebouwd, als ideaal te blijven koesteren. De Sovjet-Unie als zodanig was niet zijn thuis, maar vanuit zijn kleine flat bij diergaarde Blijdorp wilde hij (tot op hoge leeftijd) een roepende zijn, wat zijn verdere carrièrekansen tot vrijwel nul reduceerden. Het was alsof hij zijn (slimme) geschipper in de oorlog alsnog wilde ombuigen in de door hem altijd als enig juist geziene richting naar het paradijs. Dat hij daardoor alleen nog (vanaf 1954) coördinator/directeur van het Rotterdamse kunstcentrum 't Venster kon worden (waarvoor hij in 1972 nog de Penning van de Maze kreeg), deerde hem. Waarbij nog kwam, dat hij - door sommigen overigens wel objectief bekeken (bij voorbeeld door pershistoricus Dr. M. Schneider in De Nederlandse krant 1618-1978) - door dr. L. de Jong in deel 4 van diens Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog op kwalijk-insinuerende manier werd beschreven. In Huijts' dialectisch-materialistische visie was De Jong echter alleen maar een te verwachten soort malicieuze pion van het kapitalisme.

Zijn echte 'vijand', zo bleek mij in de diverse gesprekken die ik in het kader van mijn onderzoekingen naar de NRC tijdens de Tweede Wereldoorlog met Huijts had, bleef zijn oude krant, die weliswaar in 1980 voor het eerst sinds 1945 openlijk uitsprak dat hun oorlogshoofdredacteur zo slecht nog niet geweest was, maar die door de financiële behandeling van Huijts na 1945 in zijn ogen hem apert voor goed had laten vallen.

Dat Huijts zo lang geleefd heeft dat hij daarnaast nog de volstrekte val van zijn door dik en dun gesteunde socialistische systeem heeft moeten meemaken, zal voor hem een extra tragiek zijn geweest.

Zeer waarschijnlijk is gisteren een ontgoocheld man gestorven.