Georges Clemenceau (1841-1929); Tijger aan het front

FRANÇOISE GIROUD: Coeur de Tigre

228 blz., Plon/Fayard 1995, ƒ 98.-

Georges Clemenceau stierf in 1929 op 88-jarige leeftijd. Bijna zestig jaren wereldgeschiedenis zijn aan deze staatsman voorbijgetrokken. Als burgemeester van Montmartre had hij in 1871 het drama van de Commune meegemaakt. Kort voor zijn sterven heeft hij als ambteloos burger nog het uitbreken van de grote crisis gezien.

De Fransen noemden de man die in 1917-1918 hun uitgeputte land naar de overwinning voerde, liefdevol Père Victoire. Zijn anonieme graf, zonder tekst, vanzelfsprekend zonder kruis, is het imago van Clemenceau's hoogmoed, schrijft zijn biografe Françoise Giroud.

Biografie is misschien een te groot woord voor haar tamelijk dunne boek. In een voorwoord spreekt Giroud bescheiden van een portret. Maar het is dan wel een schitterend portret geworden. Met fijne pennestreken heeft zij Le Tigre in een heldere politieke en historische context weten neer te zetten. De man die alleen maar gelukkig leek te zijn als hij nieuwe vijanden had gemaakt, wiens nukkigheid en driftbuien legendarisch waren, die zijn vrouw verstootte omdat zij één keer voor de charmes van een jonge man was gezwicht, terwijl hij zelf het rokkenjagen geenszins schuwde, die man bleek tevens een warm kloppend hart te bezitten.

De frontsoldaten waren verzot op de stokoude regeringsleider, die hen in de hel van de loopgraven kwam opzoeken. Zijn vriendschap met Claude Monet, net als hij driftig en onbuigzaam, was monumentaal. Clemenceau schreef de grote schilder: “Ik houd van u omdat u het bent, en omdat u mij hebt geleerd het licht te begrijpen. Schilder, schilder totdat het doek barst. Mijn ogen hebben uw kleuren nodig en mijn hart is om u gelukkig.” Wie zo kan schrijven, verdient de boektitel Coeur de Tigre.

Françoise Giroud, samen met J.J. Servan-Schreiber, oprichtster van het weekblad l'Express en vruchtbaar auteur van politieke en historische boeken, behoeft geen nadere introductie. Ook in Coeur de Tigre heeft zij haar veelzijdige talent weer getoond. Giroud stelt haar held (en anti-held) op één lijn met Churchill en De Gaulle. Drie onbuigzame karakters, drie oorlogsleiders die, toen zij het karwei eenmaal hadden geklaard, door het ondankbare volk naar huis werden gestuurd.

Net als Churchill verstond Clemenceau de kunst om in de donkerste uren de bevolking met lyrische taal tot nieuwe krachtsinspanningen op te peppen. Bijna een kwart eeuw voordat Churchill het Engelse volk opzweepte met zijn “We shall fight on the beaches, we shall fight in the streets. We shall never surrender”, had Clemenceau in zijn investituurrede als premier uitgeroepen: “Ik voer oorlog. De Duitsers kunnen Parijs innemen, wij zullen aan de Loire vechten, vervolgens aan de Garonne, en als het moet in de Pyreneeën. Ik zal doorgaan met oorlog voeren.” Dan is De Tijger al bijna hoog bejaard: 76 jaar.

Clemenceau was een telg uit een milieu van herenboeren in de Vendée, vurige republikeinen in een oerconservatief gewest. Terwijl de politici uit de Derde Republiek bekend stonden om hun honkvastheid, was Clemenceau als jonge man naar Amerika getogen waar hij vier jaar zou wonen en zijn vrouw leerde kennen.

Als politicus werd hij al snel bekend door zijn welsprekendheid. Clemenceau was een gevreesd man, voor niemand bang (hij vocht 47 duels uit). Hij had een execrabel karakter, was wraakzuchtig en onbeschoft. In de jaren tachtig kreeg hij de bijnaam tombeur de ministères. In een warrelige stoelendans liet hij het ene kabinet na het andere vallen. Clemenceau moet dan ook zware verantwoordelijkheid worden aangerekend voor de politieke instabiliteit waaraan Frankrijk toen leed. In zijn lange politieke loopbaan heeft een structurele zwakte Clemenceau parten gespeeld, namelijk zijn neiging zijn talloze persoonlijke antipathieën te behandelen alsof het om fundamentele principes zou gaan. De Tijger had het daarom vooral aan zichzelf te wijten dat hij pas op zijn 65-ste minister werd.

Toen hij op zijn 52-ste jaar in zijn kiesdistrict werd verslagen, leek er een definitief einde te zijn gekomen aan zijn politieke loopbaan. Alles bijeen waren de twintig jaar die Clemenceau in de politiek had gesleten, nogal contra-productief geweest. In tegenstelling tot het normale beeld (le journaliste mène à tout) stortte de gesjeesde politicus zich nu op de journalistiek. De Dreyfus-affaire zou hem vervolgens voor de vergetelheid behoeden.

De vurige patriot Clemenceau geloofde aanvankelijk in de schuld van Dreyfus. Maar al snel liet hij zich van het tegendeel overtuigen. Hij stelde de kolommen van zijn krant, L'Aurore, open voor Zola's J'accuse. Gedurende de daaropvolgende acht jaar schreef Clemenceau vele honderden artikelen die alle de rehabilitatie van Dreyfus tot onderwerp hadden.

Tijdens de Schoolstrijd die Frankrijk in het begin van deze eeuw verscheurde, verzette de republikein en anti-clericaal Clemenceau zich tegen de instelling van een staatsmonopolie in het middelbaar onderwijs. Daar was politieke moed voor nodig; al zijn radicale geloofsgenoten waren wel voor zo'n monopolie. Maar Clemenceau meende dat de tirannie van de paus geen opvolger mocht krijgen in de tirannie van de staat. “De staat is van nature meedogenloos, hij heeft een ziel noch ingewanden, hij is doof voor mededogen”, schreef Clemenceau al in 1903.

Afkeer van dogmatisme en van de absolute macht van welke aard ook, was een constant gegeven bij hem. Volgens Giroud had De Tijger al vroeg voorvoeld dat de twintigste eeuw de opkomst van totalitaire staten te zien zou geven. Daarentegen heeft Clemenceau la Grande Guerre niet zien aankomen. Maar deze blindheid werd door bijna al zijn generatiegenoten gedeeld.

Pas in 1906 kwam Clemenceau aan het hoofd van een regering te staan. Bijna drie jaar heeft zijn regering zich staande kunnen houden, een record in die dagen. Le Tigre kreeg de naam een stakingsbreker te zijn, maar die reputatie is niet helemaal verdiend, meent Giroud. Zij citeert een van zijn belangrijkste biografen, David-Robin Watson, die in Georges Clemenceau, a Political Biography (1974) uitlegde dat Clemenceau verzoening en onderdrukking combineerde. “Maar terwijl de andere politici druk praatten over hun verzoenende houding en hun onderdrukkende gedrag verdoezelden, deed Clemenceau het tegenovergestelde.”

Feit is dat Clemenceau tijdens deze periode enige rust op sociaal gebiedheeft kunnen brengen. Minder geslaagd was zijn hervormingsbeleid. Maar het doorvoeren van hervormingen in Frankrijk is nooit gemakkelijk geweest. Françoise Giroud kent haar landgenoten goed: “Hervormen is in Frankrijk een werk van lange adem, als het al ooit anders kan dan door middel van een grote crisis.”

In 1916 begon Clemenceau, in zijn functie van voorzitter van de parlementscommissie voor het leger, de loopgraven te bezoeken. De staatsman had zijn pensioen allang verdiend, hij was 74 en zijn gezondheid was belabberd. Maar de poilus aan het front liepen met hem weg. Eindelijk iemand uit Parijs die zich werkelijk voor hun lot interesseerde.

De vonk sloeg over. En dat overkwam nota bene de politicus, die noch de arbeiders, noch de boeren en al helemaal niet de bourgeoisie voor zich had kunnen winnen. Toen Clemenceau tijdens een van zijn frontbezoeken in het nachtelijk duister een wachtpost wat wilde vragen, verkocht deze hem een muilpeer. “Hou je mond, siste de soldaat. Hoor je dan niet de mof die daarginds hoest?” Clemenceau vond het prachtig.

Terwijl de oorlog zich voortsleepte, groeide de ontevredenheid over de onmacht van de militaire leiders met de dag. De roep om een sterke man werd sterker. Clemenceau wachtte af, hij wilde elke indruk vermijden dat hij de macht zocht. In de zomer van 1917 was het dan toch zover: Clemenceau werd premier en minister van oorlog. Zijn programma was simpel: “Geen verraad of halfverraad: de oorlog. Niets dan de oorlog. Het land zal weten dat het verdedigd wordt.” Radio bestond nog niet, maar De Tijger had evengoed de harten van de Fransen geraakt. De legende van Père Victoire was geboren.

De nieuwe regeringsleider was meer aan het front dan in Parijs. De soldaten bleven hem op handen dragen. Clemenceau heeft later beschreven hoe in de heuvels van Champagne dodelijk vermoeide poilus hem een bosje stoffige veldbloemen in de hand drukten. Clemenceau was zo ontroerd, dat hij zichzelfbezwoer nooit meer afstand van die bloemen te doen. Een half jaar later ging het boeketje mee zijn graf in.

Dat boeket zegt meer over wat Clemenceau voor de soldaten heeft betekend dan welke grote redevoering had kunnen doen. Giroud: “Op 11 november 1918 - wapenstilstandsdag - was Clemenceau Frankrijk, machtig, glorierijk, eensgezind, onbesproken, zoals het nooit meer in zijn hele geschiedenis zal zijn.” De Tijger was het voorwerp van een cultus geworden.

Helaas was Georges Clemenceau niet uit het goede hout gesneden om de vrede gestalte te geven. Hij had dan wel de oorlog gewonnen, maar de vrede verloren. Het ontbrak hem op dit punt aan enige visie. Op de conferentie van Versailles toonde hij zich “arrogant, onwetend, bekrompen en chauvinistisch”. Zijn aandringen op de verbrokkeling van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie bleek een rampzalige fout. Die verminking zou niet alleen een belangrijke oorzaak worden van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, maar de gevolgen ervan zijn ook nu nog in Oost-Europa waarneembaar.

Churchill werd na het winnen van de oorlog in 1945 door de Engelse kiezers weggestuurd. Clemenceau is het nauwelijks anders vergaan. In 1920 kozen de parlementariërs als opvolger van president Poincaré niet Père Victoire, maar de onbenul Paul Deschanel. Wat De Gaulle, die veel later de verkiezing van de president door algemeen kiesrecht zou doorvoeren, tot de uitspraak verleidde: “Laat je de notabelen de president van de Republiek kiezen, dan zullen zij altijd een Deschanel tegen een Clemenceau kiezen.”

Clemenceau heeft zich niet veel aan de ondankbaarheid van de natie gelegen laten liggen. Hij werd op zijn oude dag nog een groot reiziger, op zijn tachtigste ging Le Tigre zelfs in India op tijgerjacht. Tegen het einde van zijn leven waarschuwde hij: “Over vijf, tien jaar zullen de moffen naar eigen believen, ons land binnenvallen. Ziet dan niemand wat er gaat gebeuren?”

Françoise Giroud heeft een zwak voor De Tijger en waarom ook niet? Zij verwijt hem geenszins zijn onmogelijke karakter, zijn haatdragendheid, hoogmoed en gebrek aan souplesse. Maar de positieve aspecten winnen het in haar oordeel. Clemenceau was de republikein die de republiek definitief in de Franse natie heeft doen verankeren. Hij was de patriot die een nationaal gevoel heeft kunnen ontwikkelen in een land waar patriottisme tot dan het monopolie van rechts was geweest. Bovenal prijst Giroud Clemenceau als een staatsman van uitzonderlijke politieke moed.