Eeuwwende zonder samenhang

PAUL BRILL (red.): Opmaat van een nieuwe eeuw. Hoofdstukken uit het Nederlandse fin de siècle

160 blz., Meulenhoff 1995, ƒ 29,90

PIET DE ROOY e.a.: De Rode Droom. Een eeuw sociaal-democratie in Nederland. Een essay en een beeldverhaal

160 blz., geïll., SUN 1995, ƒ 24,50

Met enige vertraging lijkt de vorige eeuwwisseling in deze jaren '90 dan toch in de brede culturele en politieke belangstelling te geraken, die dit fascinerende tijdvak verdient. Het Nederlandse fin de siècle is al weer enige tijd hernieuwd object van (cultuur-)historisch onderzoek. En nu is het 'Einde van een Eeuw', vergezeld van een essaybundel, thema van een tweetal concertseries die volgen op een Mahler-feest, dat muzikaal-idiomatisch natuurlijk veel minder connotaties met de herdachte periode rondom 1920 alswel met de eeuwwisseling opriep. De tentoonstelling De Rode Droom 1) en het fraai geïllustreerde boek tenslotte waarmee een eeuw sociaal-democratie in Nederland momenteel herdacht worden, kennen ook een relatief zwaar accent toe aan het tijdperk rondom 1900. Toen immers verkeerde de politieke sociaal-democratie, hoezeer zij ook door periodieke echecs geteisterd werd, al vrij snel in volle bloei.

En het proletarisch conglomeraat van SDAP, vakbonden en overige rode familieleden werd geschraagd door zich juist in het fin de siècle ontplooiende kunstenaars, intellectuelen en zakenlui van burgerlijke afkomst.

Lieden van ongewoon postuur waren deze 'padvinders in den doolhof van het moderne leven', die de Amsterdamse historicus Piet de Rooy in zijn gelijknamige essay beschrijft: Piet Tak, Franc van der Goes, Herman Gorter, de Roland Holsten, Cornélie Huygens en Floor Wibaut. Hun namen zijn haast metaforisch voor de mystieke bevlogenheid en verbale daadkrachtigheid die zo typerend waren voor de niet-proletarische aanhang van de moderne arbeidersbeweging in de periode tussen 1894 en 1914.

Het is het tijdvak bij uitstek van de 'begeerten en idealen', die De Rooy elders beschrijft in het boek, dat ter begeleiding van de rode expositie verscheen. Daar zoekt hij naar invalshoeken om honderd jaar SDAP- en PvdA-geschiedenis hernieuwd te duiden, waarbij de rol van de intelligentsia natuurlijk maar één aspect is. De wat afstandelijker houding die De Rooy aanneemt ten opzichte van het rode erfgoed - in vergelijking bijvoorbeeld met het officieuze gedenkboek van honderd jaar partijgeschiedenis dat de Wiardi Beckmanstichting vorig jaar deed verschijnen - is bepaald verfrissend, althans waar het de vijftig jaar omspannende SDAP-geschiedenis betreft.

Losse toon

Zo komen de moeizame spagaten tussen de socialistische ideologie en de praktische politieke werkzaamheden beknopt en helder naar voren, en zijn er aanzetten tot een onbevangen herinterpretatie van het zo gekoesterde anti-liberale erfgoed. Waar het heden dichterbij komt, en met name in dat deel van de geschiedenis van de Partij van de Arbeid dat als het tijdperk-Den Uyl mag worden beschouwd (1965-1985), speelt vrijzinnige waarneming van overigens tamelijk vrijzinnige gebeurtenissen in politiek roerige tijden de vrijzinnige historicus toch wat parten. Dan wordt zijn toon wat al te los, balanceert de verhandeling langs de smalle marges van gewilde leukheid en komt een tekort aan gedistantieerd perspectief aan het licht, dat wel het eerdere SDAP-deel en ook zijn essay in de bundel 'Opmaat' kenmerkt.

In die laatste bundel bevindt De Rooy zich overigens in goed gezelschap. Niet in alle bijdragen, maar zeker in die van Kees Fens en Nicolaas Matsier worden intrigerende pogingen gedaan het vorig fin de siècle opnieuw te interpreteren, respectievelijk op het vlak van de letterkunde rondom de Tachtigers en voor wat betreft de Amsterdamse stedebouw. Ook anekdotischer artikelen over de opkomst van de telefonie en de programmering van het Concertgebouworkest dragen een aantal noviteiten aan. Helaas werd niet gepoogd enige serieuze samenhang tussen de bijdragen aan te brengen en de verschillende onderwerpen, zoals de mediahistorische, in een reflectief kader te plaatsen: wat was nu eigenlijk de eigenaardigheid van het vaderlands fin de siècle, als die al ten opzichte van het buitenland te onderkennen valt? Waar grijpt de nerveuze eeuwwende terug in de lange, slechts ogenschijnlijk rimpelloze negentiende eeuw? Is het jaar 1885 als cultuur-historische mijlpaal nu werkelijk zo betekenisvol omdat het Rijksmuseum en De Nieuwe Gids zich toen als nieuwelingen presenteerden? Het zijn vragen die De Rooy en Fens wel stellen, maar waarmee in- of uitleidend geen kruisverbanden worden gelegd.

En waar liggen de breuklijnen van waaruit culturele vernieuwing en politieke actie werden opgestuwd; wat ging er aan Berlage en Kloos vooraf en waar mondden Treub en Tak in uit? Wat was tenslotte de betekenis van de oprichting van de SDAP en de Diamantbewerkersbond in 1894 voor de cultuur, en die van de lange opgang van de economische conjunctuur na 1895 voor de relatie tussen arbeidersbeweging en bourgeoisie? Kortom, fin de siècle: tot uw dienst; maar hoe periodiseren we dan de verschillende over elkaar heen schuivende maatschappelijke sferen gedurende het gehele tijdvak, laat ons zeggen tussen 1880 en 1914?

Grote Operatie

Het zal duidelijk zijn: er begint behoefte te ontstaan aan nieuwe synthesen omtrent de eeuwwende, vijftig jaar nadat Jan Romein zijn Op het breukvlak van twee eeuwen aanving met de verzuchting dat zijn achteraf bezien geniale mislukking wel vijftig jaar te vroeg zou komen! We zijn nu dertig jaar na verschijnen van dat magnum opus; de generatie historici van De Rooy lijkt aan zet om de lucide essayistiek achter zich te laten en de 'Grote Operatie 1901' maar eens aan te vangen, zoals eerder Carl Schorske deed in Fin-de-Siècle Vienna: politics and culture. We kunnen ons toch niet vergenoegen, hoezeer daarnaar óók ons verlangen uitgaat, met louter détailstudies naar de dubbele caesuur in het leven van Van der Goes in de herfst van 1892; of omtrent de achtergronden van de suïcidale onderdompeling van Cornélie Huygens in de vijver van het Amsterdamse Vondelpark in de lente van 1902, hoe enerverend ook?

1) De gelijknamige tentoonstelling is nog tot en met 26 november te zien in De Nieuwe Kerk te Amsterdam