Een kostelijke ideeëngeschiedenis

SIEP STUURMAN: Staatsvorming en politieke theorie. Drie essays over Europa

267 blz., Bert Bakker 1995, ƒ 34,90

De Amsterdamse politicoloog Stuurman die sinds kort aan de Erasmus Universiteit Rotterdam Europastudies doceert, presenteert in deze bundel drie essays over het onderzoeksgebied van zijn nieuwe leeropdracht. Het eerste opstel draagt het pretentieuze opschrift 'Duizend jaar staatsvorming in Europa' en bestaat uit twee delen: 'Van de vroege middeleeuwen tot de zeventiende eeuw' en 'Van de zeventiende eeuw tot heden'. Wie een dergelijk omvangrijk onderwerp in iets meer dan 150 bladzijden aan de orde stelt, is of naïef en dom, of een wetenschappelijk virtuoos. Al snel wordt duidelijk dat de auteur niet naïef en dom is. Overigens is het sympathiek dat hij zich voor deze on-Nederlandse aanpak van de grote penseelstreken niet van tevoren verontschuldigt.

Staatsvorming is volgens Stuurman de harde kern van Europa als een cultureel, economisch en politiek geheel: “Europa was en is een statenstelsel.” Het is een stelsel van begrensde politieke ruimten. Het essay schildert dit lange en complexe proces van een Europa zonder binnen- en buitengrenzen van de tiende eeuw naar de Europese Unie zonder binnengrenzen van vandaag. De staatsvorming en het feodalisme dat door versplinterde macht werd gekenmerkt, de grote rol en betekenis van het christendom en de moeizame verhouding tussen kerk en staat, de opkomst van de steden, de standenmonarchie als fase in de staatsvorming, de nog zwakke vroeg-moderne staat worden in het eerste gedeelte van dit essay achtereenvolgens besproken. Alles wordt goed gedocumenteerd en helder geanalyseerd.

Wie geen specialist is op dit gebied, laat zich gemakkelijk meeslepen door Stuurmans eruditie en grote kennis van zaken. Anderzijds zal gaande het tweede deel van het essay de spanning wat afnemen. Ik kon in ieder geval het tempo van deze zevenmijlslaarzentocht door de politieke geschiedenis van Europa moeilijk bijhouden. Om aan te geven wat er aan informatie in dit essay ligt opgestapeld: het bevat 253 voetnoten met tal van referenties naar informatiebronnen. Het is geen lectuur die men in één ruk uitleest.

Canon

Het tweede essay, 'De toekomst van de geschiedenis van de politieke theorie' - gaat over het fascinerende verschijnsel dat er in de ideeëngeschiedenis altijd sprake is van een canonisering van de 'klassieken' en dus ook in de geschiedenis van de politieke theorie. Als zelfstandig onderzoeksobject is deze politieke geschiedenis een geconstrueerde, een uitgevonden traditie waarvan de Engelse democraat Robert Blakey volgens Stuurman de initiator is. Hij publiceerde in 1855 de eerste geschiedenis van de politieke theorie. Na hem verschenen er verschillende handboeken die alle een te reconstrueren stramien aan den dag legden: “Er bestaat kennelijk een model voor dit doort handboeken, een canon van de geschiedenis van de politieke theorie die het nu al anderhalve eeuw heeft uitgehouden.” De canon maakt uit wat wel en wat niet in die traditie van de politieke geschiedenis wordt opgenomen. Het heeft dus veel weg van een paradigma.

Voorlopers

Natuurlijk staat zo'n canon open voor kritiek. Er wordt op gewezen dat hij vaak erg selectief is, doorgaans weinig ruimte laat voor feministisch gedachtengoed en verder ook behoorlijk Europacentrisch van aard is. Kort samengevat: de canon bevat bijna uitsluitend werken van 'dode blanke Europese mannen'. Stuurman besteedt veel aandacht aan de methodologische kritiek op een dergelijke canon: vroegere denkers worden als voorlopers van latere denkers opgevoerd, waarbij de oorspronkelijke historische context stilzwijgend wordt vervangen door de anticipatie van een toekomst die echter per definitie onbekend was. Het probleem dus van het achteraf en terugwaarts hineininterpretieren. De contingenties van toen worden oorsprongen en oorzaken van nu. Maar toch weigert Stuurman de canon af te schaffen. Hij beredeneert dat onder meer in de paragraaf 'Waarom de Grieken maar geen afscheid nemen'.

Interessant is natuurlijk de vraag wat er zo al niet buiten de canon terechtgekomen is. Schuurman bespreekt in het derde essay, 'Vergeten worden in Europa', de lotgevallen van de gedachten van twee feministische auteurs uit de zeventiende eeuw, François Poulain en Antoinette de Salvan.

Een eeuw na hun optreden in de republiek der letteren zijn ze vergeten, aan het begin van deze eeuw komen ze even terug in de herinnering om weer aan de vergetelheid ten prooi te vallen en recentelijk trekken ze weer de aandacht van feministische historici. Stuurman bedrijft een kostelijk stuk ideeëngeschiedenis en rekent af met het vooroordeel dat deze zo modern redenerende Poulain en Salvan hun tijd wel ver vooruit zouden zijn geweest. Ze pasten in hun tijd waarin het debat tussen feministen en anti-feministen volop aan de gang was. Hij maakt niet echt duidelijk hoe het komt dat ze toch buiten de canon zijn gevallen. Misschien moeten we concluderen dat er een feministische canon is die eerst recentelijk is geconstrueerd en waarin deze en andere feministische auteurs een eervolle plaats krijgen toebedeeld.

Stuurman schrijft goed, denkt diep en beschikt over een groot arsenaal aan feitenkennis op het gebied van de ideeëngeschiedenis. Deze combinatie betekent dat er van de lezers heel wat intellectuele inspanning wordt geëist. Nu eens moeten ze met de auteur grote sprongen maken, dan weer worden ze geconfronteerd met minutieuze details die met liefde en trots worden opgedist. Met zijn lezers heeft Stuurman geen medelijden. Ze worden door hem serieus genomen.