Een jongetje of een meisje

Op reis gaan betekent de kans krijgen je eigen stereotypen te toetsen en zo nodig te herzien. Ik loop in Peking door de oude buurt achter ons moderne hotel. De huisjes zijn laag en grijs. Vuil en vervallen. Maar nog steeds mooi vanwege de daken die als opwaaiende rokjes net even omhoog golven, alsof een zachte bries onder de dakgoten blaast. Maar een verdere idyllische beschrijving zou hier misplaatst zijn. Volgens Nederlandse maatstaven moet dit zonder meer een krottenwijk worden genoemd. De smalle straatjes zijn ongeplaveid en modderig. De binnenplaatsjes volgestouwd met rommel, dat je-weet-maar-nooit nog eens bruikbaar zal blijken te zijn.

Maar uit die huisjes komen niet de bij het stereotype passende arme sloebers. De bewoners hebben duidelijk voldoende te eten en gaan goed gekleed, de jongere mensen bijna zonder uitzondering zelfs elegant - daarbij wel geholpen door een vrijwel altijd rank figuur - de kinderen in vrolijke kleuren. Een paar voorbijfietsende vrouwen hebben hoeden op en kanten handschoenen aan. Dit niet kloppende stereotype van goed gevoede en geklede mensen in een als sloppenwijk ogende buurt herhaalde zich in andere steden. Zoals in Xian, waar onze gastvrouw in kokerrok en op naaldhakken door de smurrie van de zondagse markt trippelde en de meisjes in de schamele stallen hun mooiste witte bloes aan hadden. En zoals in Kanton, in de vervallen woonwijken die nog niet zijn afgebroken om plaats te maken voor de hoge paleizen van plexiglas en marmer, met binnentuinen en fonteinen. Kantoren, banken, hotels en dure appartmenten voor de nieuwe rijken. Het lijkt alsof die modieuze kleren - zo ver mogelijk weg van het eertijds eenvormige Maopak, dat alleen nog door een paar oude mannen en vrouwen wordt gedragen - voor de mensen een voorschot betekent dat zij nemen op de verdere voorspoed en vrijheid die nog komen gaan.

Ik moet denken aan een opmerking van een Chinese collega: de woningnood is hier zó groot, dat je aan de behuizing niet zonder meer iemands maatschappelijke positie kunt aflezen. Hijzelf - een jonge academicus - heeft zijn drie maanden studieverlof in het buitenland zes weken na de geboorte van zijn kind gepland. Dan kan zijn schoonmoeder bij hen in huis komen om voor de baby te zorgen, zodat zijn vrouw weer naar haar werk kan. Voor drie volwassenen is namelijk absoluut geen plaats in hun appartement. Als hij terugkomt is het kind groot genoeg om overdag bij zijn ouders te zijn en kan zijn schoonmoeder naar haar eigen huis terug.

Het is een zachtaardige jonge man, die ik maar één keer fel heb zien worden. Dat was toen ik hem vroeg wat hij vond van de toespraak die mevrouw Clinton deze zomer had gehouden op de Internationale Vrouwenconferentie. Ze had daarin de manier veroordeeld waarop in China de één-kind-politiek wordt nagestreefd, als in strijd met het standpunt van de Verenigde Naties dat mannen en vrouwen het recht hebben om vrij te kunnen beslissen over hun kindertal. “Ze weet niet waarover ze het heeft”, zei hij, “gepraat van iemand die denkt dat de hele wereld eruit ziet als Amerika.” Hijzelf wil absoluut niet meer dan één kind. Het kan gewoon niet anders in de Chinese omstandigheden. “Je hebt toch zelf gezien hoe vol de stad is?” Ja, dat heb ik. Alle dagen koninginnedag op straat. Nu de meesten nog op de fiets. Je moet er maar niet aan denken hoe dat moet als de welvaart toeneemt en de wens van een eigen auto kan worden vervuld.

De snelle jongens, die op de golven van de nieuwe openheid het risico hebben durven nemen uit een overheidsbaan te stappen en voor zichzelf te beginnen, kunnen zich meer dan één kind permiteren, want zij hoeven niet bang te zijn voor represailles als salarisverlaging en huurverhoging. Hun voortplantingsgedrag heeft echter weinig met mensenrechten en veel met egocentrisme te maken.

Het stereotype van het vertroetelde enig kind - de zogenaamde kleine keizertjes - blijkt op werkelijkheid te berusten. Het wordt van allerlei kanten bevestigd. Alleen lijkt men zich zelf ook heus bewust te zijn van de sociaal-emotionele risico's die dat met zich meebrengt. Waarschuwende woorden uit het Westen zijn dan ook niet zo nodig. De redactie van een tijdschrift voor ouders, met wie ik sprak, gaf daarvan mooie voorbeelden aan de hand van lezersbrieven. Zo brengen veel ouders het dilemma onder woorden, dat zij enerzijds beseffen dat het voor de sociale vorming van hun heel jonge kind belangrijk zou zijn met leeftijdgenootjes om te gaan, maar dat zij het anderzijds eng vinden het uit handen te geven. Het kostbare bezit moet maar liever onder hun directe hoede of dat van de grootouders blijven.

Fundamenteler is de tegenstrijdigheid dat de kinderen aan hooggestemde verwachtingen moeten voldoen, maar om daaraan ook te kùnnen beantwoorden zijn inspanning en doorzettingsvermogen nodig en die worden hen door de verwenning niet bijgebracht. De oudste lichting van de één-kind-politiek is nu vijftien, een leeftijd waarop de eigen prestaties beginnen te tellen. Daar ontstaan nu dan ook problemen, die in enkele grote steden hebben geleid tot adviesbureaus voor jongeren die lijden onder stress.

Nee, het kan de aanstaande vader niets schelen of het een jongetje of een meisje wordt. En ik geloof hem. Ik heb althans geen reden hem niet te geloven, want wat ik van anderen heb gezien en gehoord geeft hetzelfde beeld: in de ontwikkelde steden geen verschil in affectie voor jongetjes en meisjes, wel op het achtergebleven platteland. Stadse vaders en grootvaders lopen net zo knuffelend met hun meisjesbaby's rond als met jongensbaby's en vaders vertellen net zo trots over de schoolprestaties van hun dochtertjes als over die van hun zoontjes. Stadse ouders hebben er net zo veel geld voor over om dochtertjes een goede opleiding te geven. Op het Yulin-centrum in Peking, waar kinderen met leermoeilijkheden op kosten van ouders worden bijgespijkerd, is de verhouding tussen meisjes en jongens precies als bijvoorbeeld op LOM-scholen in het Westen één op vier, omdat jongens nu eenmaal vaker leerproblemen hebben, niet omdat meisjes niet de moeite waard zouden zijn.

Dit heeft bij mij geleid tot de veronderstelling - misschien wel een nieuw stereotype - dat een meerderheid van één-kind-gezinnen in een samenleving een grotere gelijkwaardigheid van meisjes en jongens forceert. Men heeft geen zoon of dochter, maar een kind.