De rechts-Duitse identiteit

HEIMO SCHWILK en ULRICH SCHACHT red.: Die selbstbewusste Nation. 'Anschwellender Bocksgesang' und weitere Beiträge zu einer deutschen Debatte

494 blz., Derde uitgebreide uitgave. Ullstein 1995, ƒ 66,70

De last van de Duitse geschiedenis wordt vaak gereduceerd tot de ogenschijnlijk eenvoudige vraag of Duitsland 'normaal' is. Is Duitsland met zijn traumatische geschiedenis werkelijk een berekenbare democratie? Sinds de hereniging is het debat over de toestand van de Duitse natie in nieuw en soms turbulent vaarwater terecht gekomen.

Tot 1989 was het zoeken naar een identiteit in een gedeelde natie met een donkerbruin verleden al moeilijk genoeg. Velen vonden die identiteit in de grondslagen van de staat. In het verlengde van dit Verfassungspatriottismus lag het streven naar Europese integratie. Maar nu een groter, souverein Duitsland in een veranderend Europa niet meer vanzelfsprekend aan de rand van West-Europa ligt, is de behoefte aan identiteit belangrijker geworden. In de Duitse kwaliteitspers debatteren intellectuelen op typisch Duitse wijze, vol emotie, met elkaar. De messen werden pas echt geslepen toen in februari 1993 de toneelschrijver Botho Strauss zijn essay 'Anschwellender Bocksgesang' publiceerde, waarin hij bekende rechts te zijn geworden.

Op zoek naar een anti-modernistische traditie keert Strauss zich af van de westerse waarden en verworvenheden van de welvaart. Die zouden de innerlijke kracht van de maatschappij afbreken: de overvloed aan televisie heeft een domme massa voortgebracht, die door een gebrek aan autoriteit en traditie onverschillig is geworden. Deze anti-autoritaire invloed van de '68-ers zou zich in een collectieve zelfhaat uiten door horden vreemdelingen binnen te halen. Niet om die vreemdelingen zelf, maar omdat men Duitsland haat. Een mentaliteitsverandering is nodig om deze negatieve identiteit om te keren. Die identiteit zou op Kultur gebaseerd moeten zijn en niet op materialisme en hedonisme. Rechts zoekt volgens Strauss aansluiting bij 'de oergeschiedenis' en verliest zich niet, zoals links dat doet, in het totalitarisme van het recente verleden.

Strauss werkte bevrijdend. Zijn soms moeilijk te volgen gedachtengang is door de auteurs van Die selbstbewusste Nation opgepakt. 'Die Welt'-redacteur Rainer Zitelmann schrijft in zijn bijdrage dat Strauss rechts eindelijk weer aanvaardbaar heeft gemaakt. Het rechts waar in de bundel over wordt geschreven, is volgens de samenstellers Heimo Schwilk en Ulrich Schacht, eveneens werkzaam bij 'Die Welt', democratisch rechts. Dat wil zeggen dat men rechts-extremisme veroordeelt en niet van zins is democratische instituties in twijfel te trekken. Centraal thema voor democratisch rechts is dat Duitsland een positieve nationale identiteit nodig heeft om berekenbaar te zijn. De dominante links-liberale media met hun voortdurende 'Duits nationaal-masochisme' (Klaus Rainer Röhl, oud-echtgenoot van Ulrike Meinhof) voorkomen volgens vrijwel alle 30 auteurs die nodige positieve wending.

Deze combinatie - pleiten voor een berekenbaar en zelfbewust Duitsland en een emotionele verongelijktheid - is de oorzaak van de wisselende kwaliteit van de bijdragen aan het boek, dat aan 'de ware patriotten' (die van de mislukte aanslag op Hitler, 20 juli 1944, en van de opstand in de DDR, 17 juni 1953) is opgedragen. Oplossingen voor maatschappelijke problemen als de komst van veel vreemdelingen worden niet gegeven. Veel bijdragen hebben een mythische vaagheid en zijn geschreven in een illiberale en intolerante toon. De schrijver Gerd Bergfleth bijvoorbeeld beklaagt zich over de uitstervende Heimatidee: onder andere de multiculturele-criminele maatschappij is een aanwijzing voor de voortschrijdende ontworteling. Volgens de joodse historicus Michael Wolffsohn is de politie de enige die het geweld kan keren. Maar sommige auteurs spreken elkaar ook tegen. Schrijven de samenstellers in de inleiding dat Duitsland nu een normaal land is, Brigitte Seebacher-Brandt, weduwe van de vroegere Kanselier, meent juist dat een land dat onverwachts één wordt en zich onzeker gedraagt, niet normaal kàn zijn. Volgens haar is het een krampachtige illusie om een veranderd Duitsland als een vergrote Bonner Republik te regeren. “Geen verleden, hoe donker ook, heft de toekomst op,” schrijft zij. “Alleen een volk dat zijn democratische orde koestert, kan naar binnen en buiten toe een berekenbare buur zijn.”

Deze waarheid wordt verschillend geïnterpreteerd. De publicist Alfred Mechtersheimer zet zich net als Manfred Brunner, ex-CSU-lid die in 1992 de geldigheid van het Verdrag van Maastricht aan het Constitutionele Hof in Karlsruhe voorlegde, krachtig af tegen de EU, die als bureaucratische moloch te veel invloed op het Duitse reilen en zeilen zou krijgen. Bovendien heeft, aldus Brunner, Duitsland een eigen rol in Midden-Europa te vervullen.

Die selbstbewusste Nation laat zien wat er bij de oosterburen aan de rechterkant van het intellectuele en politieke spectrum bedacht wordt om de Duitse identiteit in te vullen. Niet de algemeen betreurde verloedering maakt het boek interessant, maar wel de verongelijkte toon op basis waarvan die zelfbewustheid moet worden bereikt. Deze bundel is ondanks zijn soms slechte leesbaarheid van belang, juist omdat de auteurs, soms onbedoeld, laten zien hoe belangrijk stabiliteit voor Duitsland is.