'Bij de KNSB zou zelfs Ruud Lubbers vastlopen op het systeem'

Het eerste Belgisch schaatsrecord, op de incourante drie kilometer, heeft hij al met een minuut scherper gesteld. De andere afstanden zullen de komende maanden spoedig volgen. BART VELDKAMP (27) voelt zich voor de start van het nieuwe schaatsseizoen beter dan de laatste jaren in het keurslijf van de kernploeg. Om sportieve redenen liet hij zich inschrijven bij de Zuiderburen. Bart de Belg bijt nog eens van zich af.

Hoe sterk is de eenzame fietser die kromgebogen over het stuur zichzelf een weg baant, zong Boudewijn de Groot ruim vijftien jaar geleden. Bart Velkamp voelt zich aan de vooravond van het nieuwe schaatsseizoen ijzersterk. En juist door de eenzame fietstochten. Den Haag-Katwijk-Noordwijk-Zandvoort. Heen door de duinen, terug meestal met wind-tegen zoveel mogelijk door de bebouwde kom. Soms ritjes van zeventig kilometer met intervaltraining, soms duurtraining op een traject van negentig kilometer. Het hardlopen, in zwang geraakt de afgelopen jaren bij de kernploeg, heeft hij afgezworen. Back to basic, luidt de aanpak. De vertrouwde trainingsschema's van vroeger zijn weer uit de bureaulade gehaald. Ze worden aangevuld met wat marathons. Ook op dat vlak voelt de 'Schaatsbelg' zich thuis, want kwam hij niet ooit voort uit het métier van de rijders met de lange adem?

Van half juli tot eind september heeft hij een stuk of elf wielerkoersen gefietst. Voornamelijk in België, het land waar hij nu staat ingeschreven. “Om praktische redenen. In België kun je je nog een half uur voor de koers aanmelden. In Nederland moet dat drie weken van te voren. Het gaat er daar veel gemoedelijker aan toe. In Nederland staat er bij elke finish een jurywagen met dure computers. In België zijn aan de meet naast het frietenkot een paar stoelen opgesteld uit het café. Als de renners naderen roepen ze 'O, ze komen eraan' en gaan ze weer gauw zitten. Ik ben één keer afgestapt met materiaalpech. Meestal eindigde ik zo rondom de achttiende plek.

“Ik had de basis van mijn trainingsopbouw verloren. De een is gewend om altijd aan krachttraining te doen, ik voel me beter bij duurwerk. Ik fiets me in een maand in conditie. Ik heb vorig jaar frequent gelopen. Daar stond ik achter, want ik wilde weleens wat anders proberen. Tenslotte hadden Koss, Visser en Van der Duim ook baat bij looptraining. Maar ik hield altijd stramme benen, terwijl de basisconditie achteruit ging. Op de vijf kilometer zat ik na zeshonderd meter al kapot. Terwijl dat vroeger pas in de laatste anderhalve ronde het geval was. Ik heb nu dertig tot veertig procent meer conditie dan vorig jaar rond deze tijd. Over het tempowerk voor de korte afstanden maak ik me geen zorgen. Dat heb je in zes weken ijstraining weer opgebouwd.”

Schaatsen doet hij vijf á zes keer per week. Gewoon thuis, in Den Haag op De Uithof. In België komt hij nu sporadisch. In Heist op den Berg is bij een kennis van zijn vader een kamertje voor hem ingericht. Er staat een bed, een kast en een stoel. “Ik zou er kunnen wonen. Maar ik ben van plan een grotere etage te betrekken. Met het rijden van koersen in de zomer is dat toch wel makkelijk. Nu slaap ik voornamelijk bij mijn ouders.” Het schaatspak waarin hij zich komend seizoen zal hullen, is nog niet afgeleverd door de fabriek. Hij kent het ontwerp: hoofdkleur paars, met gele, zwarte en rode banen van de Belgische vlag.

In de eerste twee weken van oktober vertoefde hij in Inzell voor een trainingskamp. Daar ontmoette hij de Nederlandse kernploeg, exclusief Rintje Ritsma. Hij komt zijn voormalige landgenoten nu pas weer tegen op de wedstrijden. Veldkamp heeft de vertrouwde omgeving van de kernploeg nog geen dag gemist. “De eerste vier, vijf jaar heb ik wel genoten van het groepssysteem. Maar je wordt door de jaren heen steeds individualistischer. Je gaat je storen aan het groepsgebeuren. Op vaste tijden eten en trainen. Wachten tot iedereen klaar is, het kost je een uur per dag. De eerste jaren had ik met Ben van der Burg, Thomas Bos en Gerard Kemkers een emotionele band. Die viel weg toen de huidige generatie toetrad tot de kernploeg. De gezonde rivaliteit maakte plaats voor een stemming van: ik rijd beter dan jij, dus moet jij je mond houden. Of: ik rijd jou eraf, dus mag ik meer zeggen. Er werd gauw op je neergekeken. Dat leidde tot een spanningsveld. Ik kon het wel goed vinden met Martin Hersman. Al was hij zeven jaar jonger. Martin is een integere jongen.”

Veldkamp stak afgelopen zomer als eerste zijn nek uit. Om sportieve redenen, want hij voorzag door de selectiedrempel nooit meer aan een groot internationaal toernooi te kunnen deelnemen. “Ik heb me door de jaren heen slechts drie of vier keer op een normale wijze kunnen kwalificeren. In 1990 werd ik Europees kampioen, maar ik was niet eens officieel geplaatst. Zandstra mocht niet mee doen omdat hij te jong was, Kemkers wegens zijn zwabberbeen. Er wordt steeds vergeten dat ik me door mijn goede vijf kilometer altijd plaats voor de laatste twaalf.” Ritsma en Zandstra probeerden in de zomermaanden betere financiële voorwaarden af te dwingen. Zandstra koos uiteindelijk eieren voor zijn geld en voegde zich bij de kernploeg van Henk Gemser. Ritsma ging in een eigen team verder met Wopke de Vegt. “Er was niemand over en Rintje had altijd al een goede band met De Vegt. Wij vonden hem organisatorisch niet sterk.” Veldkamp had zich bij geen van de partijen op zijn gemak gevoeld. “Onze karakters liggen te ver uit elkaar. De meeste kernploegleden zijn mijn types niet. Misschien ook wel door de verschillen tussen Friesland en het westen. Met coach Wopke de Vegt sprak Ritsma letterlijk en figuurlijk dezelfde taal. Ritsma en Zandstra hebben een haat-liefde-verhouding. Rintje is heel erg op zichzelf gericht. Hij kiest zijn eigen weg en heeft daar alle vertrouwen in. Hij had zich in de onderhandelingen met de bond ook sterk kunnen maken voor de rest van de groep. Dat is de verantwoording van een topper. Hij heeft alleen maar gekeken naar wat hij zelf nodig had. Rintje heeft het nu goed voor elkaar en komt in de buurt van wat Koss altijd heeft verdiend. Je kunt hem ergens ook geen ongelijk geven. Want het collectief moet wel achter je staan.”

Gebrek aan solidariteit brak de kernploeg op in de strijd om meer financiële middelen en betere werkomstandigheden, meent Veldkamp. “Rintje heeft goede zakelijke begeleiders om zich heen gehad. Hij had geluk dat de sponsor Aegon voor hem in de bres sprong. De bond zou anders rustig hebben gezegd: 'Is het niet naar je zin? Dan schaats je toch lekker niet'. Als iedereen de poot stijf had gehouden dan was er meer bereikt. Maar het ontbrak aan durf en coördinatie om dat te doen. Tachtig procent van de rijders en rijdsters is al blij ze in de kernploeg zit. Die groep wil zelfs wel vijfduizend gulden betalen om op dat niveau te kunnen schaatsen. Er zijn aan de top misschien vijf schaatsers met leidinggevende kwaliteiten, de rest loopt er als mestkalveren achteraan. Falko Zandstra bijvoorbeeld heeft onder druk van zijn privé-omstandigheden voor zekerheid gekozen. Hij is pas getrouwd, heeft een huis gekocht en zit met vaste lasten.

“Met stijgende verbazing ontdekte ik steeds weer hoe slecht veel rijders op de hoogte waren van bepaalde financiële regelingen. 'Hallo, volg je dit wel', riep ik dan. En vervolgens legde ik het weer eens uit. Het moment van onderhandelen was ook vaak verkeerd. In mei ligt niemand wakker van onze belangen. Hersman en ik hebben vorig jaar overwogen op de perspresentatie van de KNSB bekend te maken dat we wegens de misstanden zouden stoppen. We zagen er vanaf omdat we alleen stonden. Als twee mensen zich druk maken bereiken ze alleen maar dat ze worden weggewerkt. Want je bent te lastig. Ik heb vaak gezegd tegen de jongens: 'Laten we ermee kappen. Je kunt ook thuis schaatsen. Maar dat zal nooit lang nodig zijn.' Het was tegen dovemansoren gericht. Ik ben te idealistisch geweest. Ik wilde de situatie voor de sporter verbeteren en dacht te veel aan het collectief. Terwijl je beter kunt kijken naar je eigen belangen, blijkt achteraf.”

Na een interview in deze krant, waarin Veldkamp onomwonden zei wat hij vond van de bestuurders van de schaatsbond, werd hij tijdens de laatste dag van het EK in Heerenveen op het matje geroepen. Aangezien de media er die dag bovenop zaten, leverde dit een pandemonium op dat zelfs in de huiskamer via de tv te volgen was. De twee voorzitters die hem ter verantwoording riepen zijn inmiddels opgestapt: David Meijer (bondsbestuur) en Johan Grobbée (sectiebestuur). “Ik mocht van de heren nooit meer iets zeggen anders zou ik voor het leven worden geschorst. En als ik dit dreigement wereldkundig zou maken, werd ik ook voor het leven geschorst. Een farce, die vertoning toen. Wat ik bij jullie heb gezegd, daar neem ik geen woord van terug. Er is niets veranderd, het is eigenlijk alleen maar erger geworden. Dat interview had je twintig jaar geleden kunnen plaatsen en over twintig jaar kan het nog. Ik liep in Heerenveen als een zombie rond. Ik dacht: er klopt niets meer van deze wereld. Oprechtheid wordt bestraft. De pers verdient een eerlijk verhaal. Het ging mij niet zozeer om tienduizend gulden meer of minder, maar op de manier waarop wij als schaatsers behandeld worden.

“Ik ben ook in die affaire door de meeste kernploegleden totaal niet gesteund. Op het banket na het EK kwam alleen Hersman naar me toe. Achteraf heb ik gigantisch veel geleerd van dat gedoe. Bestuurders zeggen altijd dat ze geen tijd voor je hebben. Maar zodra ze een jack mogen dragen van de sponsor hebben ze wel plotseling alle tijd voor andere dingen. En ondertussen houden ze hun mond omdat ze bang zijn hun functie te verliezen. Zo'n man als Grobbée zou het nu anders beoordelen. Hij is als een Jan Lul behandeld. Bij de KNSB zou zelfs Ruud Lubbers vastlopen op het systeem. Het bondsbestuur deelt de lakens uit en verder heeft niemand wat te vertellen.”

Eén man kan in ogen van Veldkamp de KNSB nog redden: Ard Schenk. “Hij is mijn idool. Niet eens als schaatser, want ik heb hem destijds niet bewust meegemaakt. Maar als mens. Schenk is eerlijk, recht door zee en een sterke persoonlijkheid. Als hij het woord voert, staat er iemand.”

Bart Veldkamp neemt komend seizoen deel aan alle grote internationale wedstrijden. Hij wordt gesteund door twee sponsors: Asics, een sportkledingfabrikant en Superclub, een Belgische winkelketen op het gebied van audio-visuele artikelen. Zij dekken de begroting van een ton en vullen ook een premiepot. Het zoeken is nog naar een co-sponsor. Op sportief gebied heeft de stayer Veldkamp zich ten doel gesteld bij de wereldtop te eindigen op de vijf en tien kilometer. “Daar versta ik onder eerste, tweede of derde worden. Ik hoop vanaf begin januari in vorm te komen. Ik verwacht er veel van. Ik kan in de luwte werken. Heel anders dan Ritsma. Hij moet zeker van de Nederlanders winnen. Als hij eerste wordt is het logisch, eindigt hij als tweede dan hangt iedereen aan zijn lippen voor een verklaring.”