'Ben ik de enige die zich zorgen maakt?'

Marcel van Dam (Utrecht, 1938) was tot gisteravond voorzitter van de VARA, de omroep die dit weekeinde zijn zeventigjarig jubileum viert. Hij blijft evenwel in vaste dienst, als 'bestuursadviseur' en als programmamaker. Begin volgend jaar presenteert hij vijf nieuwe afleveringen van De achterkant van het gelijk, het vermaarde discussieprogramma waarvoor hij in 1981 werd onderscheiden met de Zilveren Nipkowschijf. Morgen wordt de proloog uitgezonden. Daarin voelt Van Dam het halve kabinet, 'op socratische wijze', aan de tand over de grenzen van de ethiek:

“Het is wáár dat ik af en toe in de tuin sta sinds ik op de Veluwe woon. Maar omdat het tuinieren kennelijk zo slecht bij mijn imago past, krijgt dat overdreven veel aandacht in de media. Er gaan weken voorbij dat ik niet in de tuin sta. Zo werkt de publiciteit nu eenmaal. Daar is niks aan te doen. Dat soort beelden gaan met je op de loop.

Bij de opnamen was ik niet nerveus. Ik zou het 'gespannen' noemen, overgeconcentreerd. Nerveuze mensen zijn onzeker. Dat ben ik niet. Een heleboel mensen zeiden dat ik gek was om weer met dat programma te beginnen. Want iedereen gaat het met vroeger vergelijken. Dan krijg je dat typisch Nederlandse geneuzel dat het vroeger toch beter was. Maar wat kan mij nou gebeuren? Ik ben al zo'n vijfendertig jaar bezig. Ik hoef mezelf niet meer te bewijzen.

Ik heb wel eens bedacht wat nou het meest verrassende in mijn carrière is geweest. Dat was het moment waarop ik tot de conclusie kwam dat ik even goed was als al die autoriteiten - de pastoor, de burgemeester, een minister - waar ik als kind tegenop had gekeken. Dat zal ergens eind jaren zestig geweest zijn.

Het was spannend om De achterkant weer te doen. Het was alweer dertien jaar geleden. Niet dat ik aan de formule twijfelde, maar ik had me ingesteld op het feit dat politici erop getraind zijn om moeilijke vragen te ontwijken. Dat leer je als vanzelf als je in de politiek zit. Maar die verwachting bleek helemaal niet te kloppen. De ministers antwoordden zó open en direct dat ik mijn reservevragen helemaal niet nodig had. De avond tevoren had ik alle vragen en mogelijke antwoorden nog bij mij thuis doorgenomen met Paul Scheffer en Jan Tromp (de redacteuren van De achterkant - AdR). Zij speelden voor alle ministers. Daar waren we dik anderhalf uur mee bezig geweest. Maar tijdens de opnamen deden we het in 55 minuten. Ik had de ministers nooit eerder zo openhartig gezien. Dat hangt deels samen met het gegeven dat het programma niet over actuele politieke kwesties gaat. Dan zou iedereen zich weer terugtrekken in partijpolitieke loopgraven. Maar het heeft ook te maken met de zelfbewustheid van die club: ze gaan het dilemma niet uit de weg. Ik ben ervan overtuigd dat zondag na de uitzending de Nederlander zal denken: wat een goeie club mensen is dat. Je kunt merken dat het een team is. En Kok zat er als de minister-president. Dat zou elke buitenstaander onmiddellijk in de gaten hebben. Kennelijk is hij enorm in zijn functie gegroeid. En Borst knalt van de buis af.

Nergens ter wereld zou je op zo'n manier een kabinet kunnen ondervragen. Nergens zou men zich daarvoor lenen. Dat heeft met het democratisch gehalte van onze samenleving te maken. Wat dat betreft is Nederland dik in orde.

Een goede ministersploeg wil zich laten controleren en loopt niet weg voor problemen. De slechtste politici zijn de politici die het meeste risicomijdend gedrag vertonen. Daarvan is het vergeven in de politiek: bange mensen, die eerst de neuzen tellen voordat ze een opvatting krijgen. Ik heb vroeger vaak gewild dat ik in staat zou zijn om wat minder te laten blijken hoe ik over bepaalde kwesties denk. Maar ik kan dat niet. Tientallen jaren geleden heb ik die wens al opgegeven. Ik moet het maar doen met wat ik ben.

Staatssecretaris Nuis heeft helaas nog geen mening over de publieke omroep. Vooralsnog heeft hij een commissie ingesteld die uit moet zoeken hoeveel netten er moeten zijn, hoe ze gefinancierd moeten worden en wat hun taken moeten zijn. Ik zie geen enkel nut in die commissie. Het is vluchtgedrag van Nuis: angst om zelf een standpunt naar voren te brengen dat mogelijk geen meerderheid haalt in Den Haag. De commissie heeft eigenlijk als opdracht: zoek eens uit wat mijn beleid moet zijn.

De omroepen hebben zichzelf genoeg te verwijten, maar waar ik ziek van wordt is dat degenen die de verantwoordelijkheid dragen, beweren dat het allemaal aan de omroepen ligt. Maar wíj maken geen wetten, dat doen zíj. Om de een of andere geheimzinnige reden meent men in Den Haag dat men het eerst in Hilversum eens moet worden. Op welk ander terrein van het maatschappelijk leven kom je zo'n houding tegen? Heb je het kabinet ooit horen beweren dat eerst de ANWB en de BOVAG het ergens over eens moeten worden?

Het belang van een sterk publiek bestel kan moeilijk overschat worden. Ik hoop van harte dat tijdig voldoende mensen in Nederland gaan beseffen wat de vercommercialisering van de cultuur betekent. In de krant heb ik nog nooit een analyse gelezen over de verloedering van de informatievoorziening. Soms vraag ik me af of ik de enige ben die zich zorgen maakt. In de krant lees je alleen maar dat de publieke omroep steeds meer op de commerciëlen begint te lijken. Het tegenovergestelde is waar. Maar niemand neemt de moeite om de gids van nu te vergelijken met die van vijf jaar geleden. Feiten helpen niet meer tegen het vaststaande oordeel van de spraakmakende gemeente in Nederland. Dat is erg treurig voor die feiten.

Feiten zijn tegenwoordig ondergeschikt aan de beeldvorming. Laatst zei Joop van den Ende in NRC Handelsblad dat ik samen met Hedy d'Ancona op bezoek zou zijn geweest bij eurocommissaris Van Miert (die de macht van Endemol wil inperken - AdR). Ik heb in mijn hele leven die man nog nooit gezien of gesproken. Toen de Holland Media Groep ontstond heb ik natuurlijk naar Den Haag gecommuniceerd dat hier sprake was van een machtsconcentratie die ik gevaarlijk vond. Zo'n bijna-monopoliepositie als van Endemol moet worden gebroken. Maar daarna heb ik er nooit meer wat aan gedaan. Van den Ende loopt met het idee rond dat ik dagelijks in touw ben. Het hele lobby-wezen wordt overschat. Weet je hoe vaak ik bij d'Ancona ben geweest toen ze vier jaar minister was? Vier keer. Maar in de kranten leek het alsof we zo ongeveer het bed deelden.

Ik waag me niet aan een prognose. In het ergste geval sluit men de publieke omroep op in een net dat uitsluitend moeilijke programma's uitzendt. Iedere politicus die meewerkt aan die marginalisering begaat een doodzonde jegens de democratie. Mijn advies zou dan zijn: sluit de winkel, want naar zo'n net kijkt geen hond. En het is zonde van het geld. Dus sluit de tent en ga je schamen.''