Antisemitisch

STEFFEN DIETZSCH (red.): Philosophen beschimpfen Philosophen. Die kategorische Impertinenz seit Kant

135 blz., Reclam Verlag Leipzig 1995, ƒ 23,85

Waar filosofen polemiseren, doet het verstand vaak een stapje terug. Dat kan de wijsbegeerte nog wel eens tot voordeel strekken, met al haar abstractie, redelijkheid en theorievorming. Uit die gedachte stelde de Schellingkenner Steffen Dietzsch een bloemlezing samen: Philosophen beschimpfen Philosophen.

Dietzsch doet wat gewichtig over zijn kleine verzameling citaten, die het filosofisch zo gangbare 'Pathos der Distanz' zou doorbreken, en die als een bijdrage kan worden gezien aan de 'jokologische' blik op het filosofiebedrijf. Voor alle zekerheid voegt hij er aan toe, dat het zicht op de 'vegetatieve' kant van de rede - hij bedoelt de argumenten van de onderbuik - ons aan het lachen maakt.

Maar erg vaak moest ik niet lachen. Het boekje getuigt van een geringe eruditie. De helft van de citaten stamt uit de tijd van het Duitse idealisme, en dan zijn de uitspraken van het zouteloze soort als Fichtes verzuchting, dat Schelling zijn Wissenschaftlehre 'nooit begerepen heeft'. Een goede reden om er verder geen aandacht aan te besteden, ware het niet dat deze citatenbundel ook getuigt van slechte smaak.

Niet de slechte smaak die nodig is om tot gekruide stijl te komen die voor goede polemiek vereist is. Wat mij hindert, is dat uit Philosophen beschimpfen Philosophen onmiskenbaar een antisemitisch luchtje opsteekt. Dat lijkt een zwaar verwijt, en een Nederlander mag zo langzamerhand weleens wat terughoudend zijn als hij daar een Duitser van wil beschuldigen. Maar ik kan er niet om heen. Nu valt het standpunt van de bloemlezer uiteraard niet samen met de strekking van de opgenomen citaten. Alleen begrijp ik niet waarom er tientallen antisemitische zinsneden in voorkomen tegenover één minachtende opmerking van Nietzsche jegens antisemieten.

Zo wordt Friedrich Engels geciteerd in een brief aan Karl Marx, waarin hij over een minnares van de joodse socialist Ferdinand Lassalle (die zijn leven zou laten in een duel naar aanleiding van een liefdesaffaire) schrijft: “Ze wilde niet zijn verheven gedachten (schöne Geist), maar zijn joodse pik”. Tussen vierkante haken voegt hij hier zekerheidshalve aan toe: “Räusper, räusper” - zoiets als “uche, uche”. Leuk? Engels een paar bladzijden verder over Lassalle: “Het was altijd iemand, voor wie je verduiveld goed op moest passen; als echte jood van de Slavische kant stond hij altijd op het punt, iedereen met partijvoorwendselen voor zijn privézaakjes te gebruiken. En dan die neiging zich aan de voorname wereld op te dringen - en de smerige jood van Breslau te verdoezelen met allerlei pommade en schmink.”

Ik begrijp dit soort amusement niet goed. Is het een uit de hand gelopen provocatie van al te nijvere politiek correcte zeloten? Meent Dietzsch misschien dat hij deze woorden van Engels af kan drukken omdat iedereen Engels inmiddels een 'foute denker' vindt? Het lijkt me behalve een makkelijke, ook een glibberige methode.

In zijn nawoord schrijft de zo modieus als 'nomadisch filosoof' gepresenteerde samensteller dat het antisemitisme van de Kantbezorger Gerhard Lehmann hem te ver gaat. Maar waarom citeert hij dan uit diens Der Einfluss des Judentums auf das französische Denken der Gegenwart (1940) de stellig afkeurend bedoelde uitspraak over Emile Durkheim, wiens sociale theorie “een collectivisme is van het zuiverste water en een nauwkeurige uiting van de joodse mentaliteit”?

Veel anti-joodse opmerkingen in dit boekje worden overigens gemaakt door joden als Hannah Arendt of Adorno. Het geeft me het onbehaaglijke gevoel, dat de nomadische samensteller zichzelf op die manier wat al te gemakkelijk verschuilt. Het is me dan ook een raadsel, waarom een respectabele uitgever als Reclam deze 'fröhliche Selbstkritik der philosopischen Vernunft' op de markt heeft gebracht.