Wie het weet mag het zeggen

“Zullen we nog een lied zeggen”, vraagt een Griek. Men vindt hier de tekst van een lied zo belangrijk, dat men het niet zingt maar zegt. In Turkije is dat trouwens net zo.

De periode waarin componisten teruggrepen op al bestaande regels van bekende, gevestigde dichters is aan het aflopen. In een nieuwe fase zijn er weer tekstdichters, auteurs dus die regels leveren voor liederen die nog geschreven moeten worden. Dit gebeurde ook in het tijdperk voor de dichters, maar het aanzien van de tekstschrijver is intussen sterk toegenomen. Sommigen worden bijna even bekend als de componist, hun namen worden naast (na) de zijne genoemd. Hiermee houdt gelijke tred dat hun teksten pretentieuzer worden, dat zij met de 'echte' dichters gaan concurreren qua moeilijkheid of zelfs duisterheid. De Grieken vinden dit op zichzelf niet erg, ze staan voor niets.

Een goed voorbeeld is Leftéris Papadópoulos, een journalist, columnist en tekstschrijver. Veel van zijn teksten zijn zeer aansprekend, hoewel de poëtische noot nooit ontbreekt. Een van de meest gezongen liederen is nog steeds een aandoenlijke ballade, tevens zeïbekiko, op muziek van Mímis Plessas: Gisteren kort na middernacht liep ik de weg af/ Op het pleintje waar ik je leerde kennen/ stond een standbeeld dat zich mij herinnerde/ en dat niet weigerde mijn leed aan te horen/ en ik sprak hem over jou en mij/ en zijn ogen werden vochtig en bleven huilen/ Ik vertelde hem van jouw gedrag en al het andere/ je grote, onvergeeflijke fouten/ Daarna, m'n God, werd ik door snikken overmand/ en bij het ochtendgloren was ik een vod/ Hij wiste mij de tranen af/ ik liet hem achter en ging mijns weegs.

Maar het laatste lied op deze prachtige elpee van Plessas/Papadopoulos (O Drómos, de Weg, Lyra C Sylp 3561), eveneens gezongen door Jannis Poulópoulos, is al veel duisterder. De Grieken genieten ervan omdat ze openstaan voor jeugdherinneringen, hoe vaag ook, en voor associaties, met woud en maan, en met de kleur geel, van jaloezie en haat:

Zware stilte viel/ over ons oude woud/ Ren dat ik je pak/ Had je me eerst gezegd/ en toen de regen neer ritselde op de gevallen bladeren/ hoeveel rilling in de ziel/ gele bittere wijn/ gele maan/ de soldaten vertrokken/ en ook jij vertrok/ en in je ogen had je/ een duistere verblinding/ die de nacht deed vallen/ een rode wond/ wil niet sluiten/ de kleine kapel/ naast de bron/ en een gele stilte/ in ons oude woud/ hoe jou te vergeten/ die een vriendin bent.

De gedachtensprongen zijn hier en daar zo boud, dat je aan rijmdwang gaat denken, juist omdat het in laatste instantie om een tekstschrijver gaat. Dit is minder het geval bij een lied dat nog associatiever is, van een iets jongere tekstschrijver uit Kreta, Manólis Rasoúlis, en van de componist Christos Nikolópoulos. Deze zeïbekiko bleek niet alleen aan te slaan, het werd de hit van een heel jaar (1983) en men hoort haar nog geregeld, uitbundig meegezongen en bedanst:

Met zware slaperige lichten/ rijden de dalika's door Athene/ langs de havens, stations, markten/ En vinden wat je in het leven zoekt/ Ik heb je vaak zien zwerven als verloren/ in het labyrint van de stad/ met je jasje om je schouder/ belast met allen die uit de herinnering zijn/ Aan scènes uit de film van volgende week/ doe je denken op de bochten van deze weg terug/ Twee generaties verloren helaas/ en Athene een metropool van het Zuiden.

Tenslotte nog een recent zeïbekiko-lied op tekst van Aléxandros Alkáios.

De muziek is van niemand minder dan de huidige minister van cultuur, Thános Mikroútsikos, opvolger van Melina Merkouri. Eerlijk gezegd vind ik voor deze regels, 'Erotikó' getiteld, het woord 'duister' nog te gunstig - de term 'wartaal' komt bij mij naar boven. Maar wie het begrijpt, mag het zeggen. Bij prachtige bouzouki-begeleiding gezongen door Manólis Mitsiás kreeg het lied zo'n succes dat de momenteel populairste zangeres, Charóula Alexíou, het in haar repertoire opnam en er is een goede kans dat ze het ook brengt op haar concert in Vredenburg (Utrecht) op 9 november:

Met een vlot ga je en kom je terug/ in de uren dat de regen tekeer gaat/ Je navigeert in het gebied van de Visigothen/ en hangende tuinen halen je binnen/ maar je zaagt je vleugels langzaam af/ zilt bedekt je naakte lichaam/ uit Delphi bracht ik je zoet water/ In tweeën, zei je, zal je leven worden gebroken/ en voordat ik je driemaal kon verloochenen/ verroestte de sleutel van het paradijs/ De karavaan ijlt voort in het stof/ en jaagt op je waanzinnige schaduw/ Hoe kan de geest tot rust komen met een laken/ hoe kan de Middellandse Zee met touwen worden gebonden/ liefde die ze Antigone noemden/ welke nocturne heeft je licht genomen/ en in welke melkweg kan ik je vinden/ Dit is Attica, grauwe steengroeve/ en ik een armzalig schietterrein/ waar vreemde soldaten vloekend oefenen.

Alweer soldaten.

Een argeloze lezer zou nu de vraag kunnen stellen: nemen de Grieken soms alle liederen over die geschreven worden? Zijn het zingende papegaaien? Het antwoord is gelukkig nee. Verreweg de meeste liederen die worden geproduceerd, zowel makkelijke als moeilijke, blijven aan de periferie. Om succes te krijgen, moet een lied toch wel iets 'hebben'. Dat kan van de muziek of van de tekst komen, maar meestal van beide. Er doet zich inmiddels in de liederenproduktie wel een reactie voor op het 'moeilijke'. De laatste jaren kennen we hier de zogenaamde lied-slogan, waarvan de tekst slechts uit één of twee regels bestaat die steeds worden herhaald. Toegegeven moet worden dat Theodorakis de eerste was die zijn kracht soms daarin zocht. Zo eindigt de cyclus op tekst van Jannis Ritsos 'Achttien liedjes uit het bitter vaderland' met het lied 'Huil niet om de Grieken' waarin de regels 'Kijk, hij springt alweer op, vat moed en slaat het monster (de kolonelsjunta) met de harpoen van de zon', die zevenmaal worden herhaald.

Maar daar was toen alle reden voor. De laatste tijd krijgen we tienmaal achter elkaar te horen: Kom, lach, het leven is een gekte (in het Grieks rijmt het, maar daar houdt het ook mee op). Of: ik kan het ook niet helpen dat ik ouder word. Voor één keer is dit een leuke regel, maar vijftien keer achter elkaar...