Wellicht, misschien en als; De voetnootmentaliteit van Antonio Tabucchi

Antonio Tabucchi is een melancholicus en de literatuur is zijn medicijn. De romans van deze Italiaanse schrijver zijn mijmerspelletjes, waarin de auteur zich afvraagt hoe het zou kunnen gaan of hoe het had kunnen zijn. Maar zelfs daar is hij niet zeker van. “Het liefst zou Tabucchi al zijn verhalen nuanceren, aanvullen, nader verklaren, want iets wat af is, is definitief een misverstand geworden.” Tabucchi's nieuwe roman 'Pereira verklaart' verschijnt deze week in een Nederlandse vertaling.

Antonio Tabucchi: Pereira verklaart. Een getuigenis. Vert. Anthony Kee. Uitg. De Bezige Bij, 178 blz. Prijs ƒ 37,50. Requiem. Een hallucinatie. Vert. Piet Janssen. Uitg. De Prom, 128 blz. Prijs ƒ 24,90. Kleine onbelangrijke misverstanden, Indiase nocturne en De lijn van de horizon (uitg. Contact) zijn te koop bij De Slegte. Prijs ƒ 8,95.

Er zijn schrijvers die het best tot hun recht zouden komen in voetnoten. Daar voelen zij zich waarschijnlijk het meest op hun plaats. Terwijl boven hen de tekst meedogenloos en onafwendbaar voortmarcheert naar het EINDE, ontsnappen zij als giechelende deserteurs uit het grote betoog en gaan, zonder kaart of kompas, een andere kant op. Louter en alleen omdat het een andere kant is. Eenmaal van het pad afgedwaald, komen ze in de kleine lettertjes terecht, waardoor ze moeten bukken of zelfs kruipen. Dat vinden ze geen bezwaar: ze ontberen immers de zekerheid van de hoofdtekst en zouden niet eens willen dat hun aarzelingen, vermoedens en twijfels in een kloek corps werden gezet. Meestal raken ze op den duur het spoor bijster, terug naar de hoofdtekst kunnen ze niet meer, zodat ze ontheemd ergens blijven steken en veelal een bedroefde indruk maken.

Toen ik voor het eerst een boek van de Italiaanse auteur Antonio Tabucchi (Pisa, 1943) in handen kreeg, wist ik vrijwel meteen dat ik met een voetnootschrijver te maken had - al was er op het oog geen voetnoot te bekennen. De titel bracht me op het spoor: Kleine onbelangrijke misverstanden. Maar wat mij overtuigde, was een citaat van de auteur op de achterflap, een uitspraak die welhaast programmatisch genoemd kan worden voor een meester van de bijzaak: 'Vormen van onbegrip, onzekerheid, te laat inzicht, domme vergissingen die niet meer goed te maken zijn: dingen die buiten de orde vallen oefenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij uit.' De uitgever bleek de zin te hebben gelicht uit de 'Aantekening' waarmee de bundel opent en waarin de schrijver zijn passie voor bijzaken en doodlopende wegen voorstelt als iets wat buiten zijn wil om geschiedt, 'een roeping, een stigma waar niets verhevens aan is'. Een voetnootschrijver die zijn verhalen met een annotatie begint! Als ik er een theorie van had gemaakt, zou ik bijna gaan denken dat die nog klopte ook.

De 'Aantekening' is overigens, om misverstanden te voorkomen, niet te vergelijken met het traditionele 'Voorwoord bij de derde, vermeerderde druk' waarin een auteur zijn vreugde uitdrukt over zijn eigen succes, alsmede de gelegenheid te baat neemt om zijn dank uit te drukken jegens zijn uitgever, zijn echtgenote en al die anderen, zonder wier steun en medeleven de derde, vermeerderde druk er nooit gekomen was. Ook is er niets in terug te vinden van de 'Inleiding' waarin de schrijver beleefd bukt om zijn lezertjes te kunnen bereiken, cf. Thomas Mann, De Toverberg, dat aanvangt met een majesteitelijk neerbuigend 'Nu gaan wij het verhaal vertellen van Hans Castorp (-) omdat het ons in hoge mate vertellenswaard voorkomt'. In de fameuze Forewords van Nabokov is wél sprake van een behoefte aan nadere explicatie, maar toch zou ik Nabokov nooit een voetnootschrijver durven noemen: als er bij hem sprake is van onzekerheid, dan alleen betreffende zijn lezers. De enige voorwoorden die in de buurt komen, zijn die van Borges, vooral wanneer hij zijn verhalen presenteert als ontleningen aan veelal obscure en wellicht verzonnen geschriften. Ook Tabucchi hanteert deze Borgesiaanse verwijzing naar andere teksten, waarvan de zijne slechts schrale afleidingen zouden zijn. Maar bij Tabucchi komt er nog iets bij, en dat is zijn neiging tot verontschuldiging. Het is alsof hij terugschrikt voor de stelligheid van zijn eigen verhalen. Het liefst zou hij al zijn verhalen nuanceren, aanvullen, nader verklaren, want iets wat af is, is definitief een misverstand geworden - en een voetnoot, hoe hulpeloos ook aan de tekst bungelend, geeft tenminste de suggestie dat het misschien anders had kunnen gaan.

Realitätsahnungen

Deze aarzelende manier van schrijven, die voortkomt uit angst voor en weerzin tegen het voldongen feit, staat haaks op de vlotte slogans uit de amusementsindustrie die op dit moment de literatuur teisteren. Gebeurtenissen die, mits spectaculair gebracht, bij 'spraakmakende' boeken zo op de voorgrond treden, zijn voor Tabucchi 'kleine onbelangrijke misverstanden'. Wat voor hem telt, is de reflectie op de gebeurtenissen. (Ook gedachten, want dat moet er in het televisietijdperk geloof ik bij worden gezegd, behoren tot de werkelijkheid.) De twijfels, de angsten, de leugens en de uitvluchten, de spijt en de hoop, kortom alles wat zich voor en na de 'feiten' afspeelt, zijn oneindig veel interessanter dan de 'feiten' zelf. Bij Tabucchi bevinden de feiten zich daarom vaak zelfs buiten het verhaal, zo onzinnig lijkt hij het te vinden de onontwarbare werkelijkheid te simplificeren tot een gevolg waaraan een bepaalde oorzaak ten grondslag ligt.

'Je zult geen enkele bevestiging krijgen,' snauwt hij zijn hoofdpersoon toe in het verhaal Anywhere out of the world, 'om de eenvoudige reden dat zoiets als dit helemaal niet bevestigd kan worden omdat er geen verklaring voor is, dat is de waarheid, en dan begin je na te denken over wat het nu wérkelijk inhoudt een verklaring te willen omtrent zoiets als wat bezig is te gebeuren. Of een verklaring voor alles wat gebeurd is: alles, maar dan inderdaad ook alles (-) maar het leidt tot niets, dat weet je allang.'

Ik moest, toen ik dit las, denken aan Hermann Broch, die zo tekeer kan gaan tegen herkenning en bevestiging. De schrijver die zich wijdt aan de Darstellung van het reeds gekende schafft Sensationen, aber keine Kunst: die Kunst entsteht aus Realitätsahnungen. Sommige uitspraken horen nu eenmaal in het Duits. 'Realitätsahnungen', het woord zou in elke boekhandel en elke literatuurbijlage geproclameerd moeten worden. Vastomlijnd maar toch vaag, drukt het precies uit waarom de honderdduizenden, de miljoenen schrijvers van alle tijden en alle landen niet uitgeschreven raken over dat armzalige leventje van ons, waarvan inmiddels toch wel vaststaat dat het er altijd slecht mee afloopt. Brochs 'vermoeden van realiteit' levert meer op dan een klakkeloze aanvaarding van de alledaagse banaliteit. Een korrel zand is een korrel zand, daar kun je het bij laten, maar wie niet zo zeker van zijn zaak is en het voorlopig liever bij vermoedens laat, is het vergund, zoals de dichter belooft, 'To see a World in a grain of sand'.

Ook de personages van Tabucchi proberen in hun leven meer te zien dan los zand, maar de werelden die zij oproepen, zijn helaas niet meer te achterhalen. Ze behoren tot een onherstelbaar verleden of tot een onmogelijk geworden toekomst. Kleine onbelangrijke misverstanden blijken kleine onherstelbare misverstanden te zijn, en de hoofdpersonen rest niets anders dan het vermoeden dat ze beter af waren geweest als ze maar geweten hadden wat ze dán hadden moeten doen. 'En dan ga je denken: als ik dit had gezegd in plaats van dat, of dat in plaats van dit, als ik laat was opgestaan in plaats van vroeg, of vroeg in plaats van laat, dan zou de dag van vandaag een héél klein beetje anders zijn, en misschien zou de hele wereld een héél klein beetje anders zijn.' (Uit het verhaal Rebus.)

Machteloos dagdromen terwijl je vastgeklonken bent in een keten van toevalligheden, die tezamen onvermijdelijkheden blijken te zijn: het is een steeds terugkerend thema. De personages piekeren erover wat er gebeurd zou zijn as ik nou 's... En de schrijver bromt: 'As? As is verbrande turf,' want hij is ervan doordrongen dat alles onomkeerbaar de verkeerde kant op gaat. Maar toch luistert hij geduldig naar het rebellerende gepieker van zijn personages. En op den duur wordt hij zelfs benieuwd naar die andere afloop, waar ze het steeds over hebben, en waar het dus niet van gekomen is.

Dit is de klassieke voetnootmentaliteit: het opperen van mogelijkheden waarvan de onuitvoerbaarheid al vaststaat, het vastklampen aan 'wellicht' en 'misschien' terwijl je bij voorbaat weet dat je het nooit hard zult kunnen maken.

Bijfiguren

De onmacht, die bij Tabucchi zo'n grote rol speelt, komt voort uit het besef dat het onmogelijk is het geheel te overzien. Elk moment is eindeloos ingewikkeld, en het is onbegonnen werk uit die myriaden mogelijkheden de juiste keuze te doen. De keuze in het leven is geen weloverwogen wilsbeschikking, het is iets wat je achteraf kennelijk gedaan blijkt te hebben - het onomstotelijke gevolg van een toevallige samenloop van omstandigheden. De werkelijkheid is een oneindige bol, zegt Pascal, waarvan het middelpunt overal is gelegen en de omtrek nergens. Je zit dus overal goed en overal verkeerd: deze fatalistische paradox keert in al Tabucchi's verhalen terug en verklaart de melancholie die zijn zinnen omsluiert. Door de daarmee samenhangende afstandelijkheid lijkt het alsof zijn verhalen worden bevolkt door louter bijfiguren. Hij beschrijft als het ware alleen achtergrond, het gaat over mensen die er óók waren, daar in het café, ergens achterin aan een tafeltje, bijfiguren in hun eigen leven. Ze zitten daar op de achtergrond en verwonderen zich erover dat zij het zelf zijn.

'De literatuur verschaft het gemis een narratieve vorm,' zegt Tabucchi in een interview in het zomernummer van het Franse literaire tijdschrift Lire. 'Als ik geen schrijver was geweest, dan zat ik hier met pijn in het hart en tranen in de ogen.'

De literatuur als medicijn voor melancholici: omdat alleen daar het niet geleefde leven kan bestaan, omdat schijn en onechtheid te verkiezen zijn boven de dictatuur van de voldongen feiten.

Pessoa

'Ik kan me alles verbeelden omdat ik niets ben. Als ik iets was kon ik mij niets verbeelden.' Het is namelijk de hoogste tijd Fernando Pessoa erbij te halen, want daar heeft Tabucchi de kunst van afgekeken. Zonder dat te verdoezelen overigens, want Tabucchi is een schrijver die in de literatuur geboren is. Zijn werk zit vol toespelingen op andere auteurs, niet uit koketterie of literaire verwijzingsdrift, maar omdat ze nu eenmaal zijn werkelijkheid hebben gevormd. Het Lissabon waar hij tal van verhalen situeert, bijvoorbeeld, lijkt sprekend op het Lissabon van Pessoa. Het is een stad van schimmen, en in de novelle Requiem zelfs een stad van doden, die vergeten voortdromen en alleen ontwaken als de schrijver even aan hen denkt. 'Ik ben een verlaten, in zichzelf opgesloten huis waar schuchtere en vluchtige spoken rondwaren,' staat er in Het boek der rusteloosheid, dat voor Tabucchi lange tijd een bijbel is geweest. 'Ik zit altijd in de kamer ernaast, of zij zijn het die daar zitten, met om mij heen geruis van bomen. Ik dool en vind; ik vind omdat ik dool.'

Misschien is Tabucchi nog diepgaander door Pessoa beïnvloed geraakt toen hij diens werk in het Italiaans begon te vertalen. Elke zin of dichtregel is woord voor woord door hem heengegaan. Bovendien is hij voor een deel van het jaar in Lissabon gaan wonen. Zelfs uiterlijk is Tabucchi op zijn leermeester gaan lijken: eenzelfde onopvallende, magere man met een brilletje en een snorretje. 'Zijn bleke, nietszeggende gezicht werd ook door een uitdrukking van lijden niet sprekender, en het was moeilijk te definiëren wat voor soort lijden die uitdrukking aangaf,' zo laat Pessoa zichzelf door zijn heteroniem Bernardo Soares observeren.

Je zult maar zo'n mannetje zijn, heeft Tabucchi tijdens het vertalen misschien gedacht, totdat hij met schrik bemerkte dat hij zichzelf plotseling als een ander had gezien. Zichzelf als ander ervaren: het is een algemene grondslag van de literaire verbeelding, maar bij Pessoa, en dus ook bij Tabucchi, is het een thema.

Het duidelijkst komt dit naar voren in Indiase nocturne, een van zijn mindere boeken, maar de schrijver verraadt zich nu eenmaal het meest wanneer hij het slechtst op dreef is.

In deze novelle gaat de ik-figuur op zoek naar ene Xavier, die hij goed heeft gekend, maar die sinds een jaar spoorloos verdwenen is. De ik-figuur heeft slechts vage aanwijzingen, die hem op plaatsen brengen waar de ander alweer vertrokken blijkt te zijn. Het verhaal is een metafoor: een personage op de vlucht voor de schrijver - variant op Pirandello's personages die juist op zoek zijn naar een schrijver. Het personage wenst zich niet zomaar te laten vastleggen in een verhaal dat door een ander is bedacht.

Dit spel met de ik en de ander eindigt in het welbekende 'Droste-effect': het verhaal wordt in het verhaal geschreven. De ik-figuur die je in het begin hebt leren kennen blijkt dus een personage van de ander te zijn. Heel moeilijk, heel oninteressant, deze frappe.

Ik denk dat het uitgangspunt veel mooier, veel poëtischer is geweest: jezelf voorstellen als iemand die verdwijnt. Het is een gedachte die je op reis kunt krijgen: als ik hier nu eens zou blijven, wat dan? En terwijl je met je koffer naar het vliegveld gaat, projecteer je jezelf in de straten die je hebt verlaten, je ziet jezelf ergens in Lissabon achterblijven, tegen het einde van de middag een cafeetje binnengaan om de sportpagina van O Diario te lezen, en ook als je alweer thuis bent, zie je jezelf door de nauwe straatjes van de Benedenstad lopen, en je vraagt je af wat je daar doet en hoe het met je zou gaan. Het is zo'n leven waar het niet van gekomen is, waar je er vele van kunt hebben, en in al die levens waar het niet van gekomen is, dwaal je rond als een ander. En je zou die anderen willen opzoeken, om te vragen hoe het hen is vergaan, maar als je teruggaat naar de plekken waar je ze voor het laatst hebt gezien, zijn ze er niet meer, en zelfs die plekken zijn er in zekere zin niet meer, zo veranderd zijn ze in de loop van de tijd.

Necrologieën

Hoe het had kunnen gaan. De toekomst van het verleden. Het zijn de vaste mijmerspelletjes der melancholici. Vandaar dat er in de boeken van Tabucchi hoofdzakelijk wordt teruggekeken. Alleen in zijn laatste roman, Pereira verklaart, die deze week in vertaling verschijnt en in Italië bekroond werd met de Premio Campiello, kijkt de hoofdpersoon vooruit... naar de dood.

De ondertitel luidt: 'een getuigenis' en de vorm die Tabucchi voor het verhaal heeft gekozen, is die van de getuigenverklaring, van het verhoor. Wie dit verhoor afneemt, wordt niet duidelijk. Misschien de schrijver, maar dat is niet belangrijk. Het gaat om de verantwoording die aan het einde van het leven wordt afgelegd. Degene die deze verantwoording aflegt, is de levensmoede kunstredacteur van de Lisboa die geobsedeerd is door de dood. Waarom is hij zo geobsedeerd? 'Onmogelijk voor Pereira hier een antwoord op te geven. Misschien is het omdat, toen hij klein was, zijn vader een begrafenisonderneming had die Pereira Moeder der Smarten heette, of misschien omdat een paar jaar geleden zijn vrouw aan tuberculose was gestorven, of misschien omdat hij zo dik was, hij had last van zijn hart en hoge bloeddruk en de dokter had gezegd dat hem, als hij zo doorging, niet zo heel veel tijd meer zou resten, maar het is een feit dat Pereira begon na te denken over de dood, verklaart hij.'

De dood staat hem niet tegen. Als katholiek (van joodse afkomst, maar dat is niet verboden) heeft hij er alle vertrouwen in. 'Maar één ding was er waarin hij niet geloven kon, in de wederopstanding des vlezes. Wel in de ziel, jawel, want hij wist zeker dat hij een ziel had; maar al dat vlees van hem, al dat vet dat zijn ziel omgaf, dat niet, dat zou niet terugkeren om weder op te staan, en waarom zou het ook? vroeg Pereira zich af. Al dat spek dat hij iedere dag moest meedragen, het zweten, de ellende van het trappenlopen, waarom zou dat alles weder opstaan? Nee, in een nieuw, in een eeuwig leven wilde hij dat alles niet meer, Pereira, en hij wilde niet geloven in de wederopstanding des vlezes.'

In afwachting van de verlossing vult Pereira de wekelijkse cultuurpagina van de Lisboa. De enige soort artikelen die hij schrijft, zijn necrologieën en herdenkingsartikelen. Voor Pereira is de literatuur een aangelegenheid van doden, temidden van hen voelt hij zich het meest op zijn gemak.

Maar dan treedt er een klein onbelangrijk misverstand op. Pereira leest toevallig een wetenschappelijk artikel over de dood en belt in een opwelling de auteur op, om zomaar wat te praten over de onsterfelijkheid van de ziel en de wederopstanding des vlezes. En omdat hij niet uit zijn woorden komt, omdat het ineens te intiem, te persoonlijk is, vraagt hij, om er van af te zijn, de auteur om een bijdrage voor de cultuurpagina. Zo'n knap artikel over de dood, jazeker, hij zou hem uitstekend kunnen gebruiken voor het schrijven van necrologieën, daar kun je immers niet vroeg genoeg bij zijn, hij kende heel wat schrijvers die nog niet dood waren, maar die het eens zeker zouden zijn.

De auteur, een jongeman die midden in het leven staat, grijpt de necrologieën echter aan om zijn idealen uit te venten. Het is 1938, in Portugal heerst het fascisme, in buurland Spanje woedt de Burgeroorlog, de nazi's zitten op het vinkentouw en Pereira, met zijn joodse afkomst, houdt zich het liefst gedeisd, eigenlijk wil hij hier helemaal niet zijn. En nu zit hij opgescheept met zo'n jongeman die op zíjn cultuurpagina openlijk de aanval opent op de heersende orde der dingen en de onvermijdelijke voldongenheid der feiten.

Een man die met zijn ziel onder zijn arm op de verlossing wacht en die nolens volens weer het leven wordt binnengezogen - zelden zag ik de droefheid zo lichtvoetig verwoord.

Tabucchi maakt duidelijk dat Pereira niet wérkelijk naar de dood verlangt, hij verlangt vooral naar een uitkomst, of naar 'iets wat ik het verlangen naar Vereenvoudiging zou kunnen noemen', zoals het in het titelverhaal van Kleine onbelangrijke misverstanden heet. 'In een mum van tijd heb ik een zich in duizelingwekkende vaart afwikkelende kluwen gevolgd en begrepen dat wij hier waren op grond van iets wat Verwikkeling heet, en wat eeuwenlang, duizenden, miljoenen jaren laag voor laag steeds ingewikkelder circuits heeft gecondenseerd, steeds ingewikkelder systemen, tot het heeft gevormd wat wij nu zijn en wat we nu meemaken.'

Het verlangen naar Vereenvoudiging is bij Pereira het verlangen naar de dood, maar in plaats van verlossing vindt hij slechts verwikkeling op zijn weg, en ook de onsterfelijkheid van de ziel, of die nu met of zonder al dat vlees weder opstaat, komt hem steeds problematischer voor. Hij dacht dat hij zich, aangepast en wel, in de hoofdtekst bevond, maar hij blijkt rond te dwalen in een voetnoot van een manuscript dat helaas verloren is gegaan.