Verminken om te behouden

Isabel-Clara Simó: Het wilde meisje (La salvatge). Vert. Elly de Vries-Bovée. Uitg. Bert Bakker, 223 blz. ƒ 34,90.

Een jong meisje dat de rust van een oude man komt verstoren: dat komt in de Spaanse letteren wel vaker voor. De Catalaanse schrijfster Isabel-Clara Simó maakte dat gegeven tot de intrige van haar roman Het wilde meisje en doorbrak daarmee het masculiene patent op het thema.

Dat pakt niet gunstig uit voor de oude man. Anders dan bij de meeste mannelijke auteurs is hij bij Simó geen zotte pantoffelheld, verdwaasd door zijn eigen begeerten, maar een regelrechte psychopaat. Hij wordt geobsedeerd door de jonge Amerikaanse die een toevlucht zoekt in zijn huis, en verminkt haar op gruwelijke wijze, zodat zij hem nooit meer zal kunnen ontvluchten. Voor het meisje is Simó nauwelijks genereuzer. Ze kiest ondubbelzinnig haar zijde, maar maakt haar tot zo'n naïef en wispelturig wicht dat elke sympathie al snel teloorgaat.

Simó heeft haar stijl dan ook niet mee. Haar stijl is zo plat als in een driestuiversroman, met de bijpassende sentimentele filosofietjes en het verplichte gelukkige einde, hoe haastig en onwaarschijnlijk dat ook in de laatste bladzijden moest worden afgeraffeld. Dat men daarmee geen literatuur maakt heeft haar ongetwijfeld verontrust en dus moest de modernistische trucendoos uitkomst bieden. Lange tussenwerpsels in de tekst en een raadselachtige hoofdstukindeling suggereren iets diepzinnigs, dat er niet is. Citaten uit opera's en dichtwerken moeten laten zien dat dit boek niet van de straat komt. Toch wil het maar geen literatuur worden.