Teksten schrijven we in melige buitjes; Stijn en Jori over hun band Tuygh

Stijn van Strien (14 jaar) stuitert door het Utrechtse zolderkamertje van zijn vriend Jori Collignon (ook 14). Hij vertelt over Tuygh, hun band. Plotseling gooit hij Jori's televisietoestel om. 'Stijn!' schreeuwt Jori kwaad, maar al gauw zitten ze er om te grinniken: “Wij van Tuygh hebben altijd lol.” Het geeft niets als het publiek bij een optreden saai is: “We laten ze spectaculaire dingetjes doen, zoals ochtendgymnastiek. Dan roepen we: goed zo jongens, we zagen die mevrouw haar teen bewegen!”

Twee jaar geleden, op de slotavond van de basisschool, trad Tuygh voor het eerst op. Nu zitten Jori en Stijn op verschillende scholen. Een keer per week oefent Tuygh, 'behalve bij bakken huiswerk.' Ze spelen nummers van popzangers als Phil Collins en Joe Jackson, maar ook zelfgeschreven nummers. “Onze teksten gaan altijd over ons eigen leven,” zegt Jori, “we zouden nooit zingen over grote serieuze relatieproblemen want die hebben we niet.” De nummers zijn bedoeld voor mensen van hun leeftijd. Stijn: “Die snappen hoe rottig het leven is. Op weg naar school heb je echt nooit wind mee.”

Eens per maand treedt Tuygh op, op muziekavonden van school, op festivals,tijdens koninginnedag en ook vaak op 'kinderdingen' zoals ze het zelf noemen. Meestal gewoon in hun eigen stad, Utrecht, maar ook wel eens ergens anders. Tijdens de kinderboekenweek speelden ze in Deventer op een kinderpopfestival. Voor zo'n optreden vragen ze 'minder dan tweehonderd gulden', maar hoeveel precies willen ze niet zeggen. Tuygh is ook al twee keer op de Utrechtse radio geweest.

Jori speelt toetsen en Stijn zingt. Het liefste spelen ze hun eigen 'tophit': 'De wekker'. Het klinkt een beetje als een liedje van Kinderen voor kinderen, maar dan veel ruiger. Je zou er goed op kunnen dansen. De tekst is klagerig: 'Het is weer zeven uur, de dag moet weer beginnen, ik ben nog moe van binnen,' zingt Stijn. Het nummer gaat over hoe vreselijk het is elke dag naar school te moeten: 'Wanneer is het allemaal voorbij? Nog een jaar of vier dan hebben we weer vrij.' Halverwege valt Jori in en zingt de tweede stem.

Jori bedenkt de muziek: “Ik ga zitten en verzin zo honderden melodieën.” Daarna gaan ze de tekst schrijven. Dat vinden ze moeilijk. 'Weken en weken' doen ze daarover. De afspraak was dat Stijn de teksten zou verzinnen: “Maar vaak doen we dat samen in melige buitjes. We doen er ongeveer om de drie zinnen een rijmwoordje in, dat zingt lekker.”

Hun ouders vinden het goed dat ze zoveel tijd besteden aan nummers bedenken en oefenen. Jori: “Wij lopen geen krantenwijkjes, wij doen dit. Stijn had vorig jaar wel veel te weinig aan school gedaan, omdat we een bandje aan het opnemen waren in een studio. We moeten dus wel opletten.”

De naam van hun band is te danken aan Jori's vader, die weleens zegt als ze de kamer binnenkomen: 'O jee, daar heb je dat tuig weer.' Gewoon 'tuig' vonden ze te saai. “Daarom schrijf je het zo raar. Er bestaat ook een band die vlerk heet, maar dat schrijf je als 'flairck', net zoiets dus,” zegt Stijn. “Wij zijn trouwens geen tuig hoor, maar heel beschaafd en lief,” grijnst Jori. “Ja, heel beschaafd en lief,” herhaalt Stijn.

Jori wil later misschien dokter worden en Stijn bioloog. Of ze gaan naar het conservatorium. Voorlopig spelen ze gewoon zoveel mogelijk. Echte fans heeft Tuygh nog niet. “We kregen wel een keer een hele stoet kleuters achter ons aan,” moppert Jori. “O, maar bij mij liggen allemaal mooie meisjes op de stoep in slaapzakken te wachten tot ik naar buiten kom en ze gillen met tranen in hun ogen,” zegt Stijn met een serieus gezicht. “STIJHIJN!” schreeuwt Jori.