Spionnen op gemaskerd bal in Praag

Martin Koomen: Adieu, Portland. Uitg. Van Gennep, 176 blz. ƒ 29,90

In Adieu, Portland reist geheim agent Robert Portland naar Praag om een spionage-zaak op te lossen. Samen met zijn trouwe assistent luitenant Fokkema gaat hij op zoek naar de moordenaar van een Tsjechische, die met ingeslagen schedel is gevonden op de vloedlijn van het Scheveningse strand. In Praag, in 1937, belanden de twee spionnen op een gemaskerd bal van het 'Sudetendeutsche Heimatfront', een geheime club die de Tsjechische samenleving van binnenuit probeert te nazificeren. De spionnen worden ontmaskerd en voor het vuurpeloton dreigt een eind te komen aan de avonturen van het speurdersduo. Een laatste sigaret biedt nog even uitstel van executie.

Adieu, Portland is de tiende, en naar verluidt laatste Portland-thriller van Martin Koomen. Vier delen van de reeks werden genomineerd voor de Gouden Strop, de prijs voor de beste misdaadroman van het jaar. Toch liep Koomen, documentalist bij Vrij Nederland en auteur van een paar onderhoudende literair-historische studies, een bekroning steeds mis. Het zou me verbazen als hij voor dit laatste deel uit z'n Portland-reeks wél de prijs zou krijgen. De nieuwste Koomen is nogal saai uitgevallen. Op de twee hoofdpersonen na krijgen de overige personages met hun moeilijke Tsjechische namen nauwelijks een eigen gezicht. En na de uitvoerige en grappige beschrijving van het gemaskerde bal sleept het verhaal zich voort naar een wel zeer gewrochte ontknoping.

Vermoeiend is het archaïsche taalgebruik van Fokkema, de vaste verteller in de misdaadreeks van Koomen. Adieu, Portland speelt niet alleen in 1937, het lijkt ook wel of het in dat jaar geschreven is. Woordkeus en zinsbouw zijn zo stijfjes, dat ze de lezer voortdurend ophouden. De eerste keer wil je nog wel over het woord 'vakbroeder' of 'dienstmaagd' heen lezen. Maar op den duur wekt het ergernis en leidt het af van het verhaal dat Koomen wil vertellen.

Hetzelfde geldt voor zijn permanente gezoek naar synoniemen. Op twee keer achter elkaar hetzelfde woord gebruiken, rust voor Koomen kennelijk een taboe. Een krant noemt hij bijvoorbeeld eerst 'courant', in een volgende regel 'drukwerk', vervolgens 'bedrukt papier' en tenslotte 'antirevolutionair orgaan'. Als Koomen een herhaling van het woord 'draaideur' voorkomt door een 'tovercirkel' te introduceren, krijgt de lezer wel erg duidelijk het vermoeden met een literator van doen te hebben.