Selectie-plannen van Ritzen ruiken naar geld

Deze week besprak de Tweede Kamer de begroting van het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschappen. De Kamer staat voor ingrijpende aanpassingen in het hoger onderwijs. Opnieuw is het sleutelbegrip: selectie. De afgelopen jaren zijn immers allerlei grenzen gesteld aan de toegang tot universiteit en hogeschool: wie ouder is dan 27 jaar krijgt bijvoorbeeld geen beurs meer, en de verkorte studieduur heeft eveneens een selecterende werking.

Dit jaar draait de discussie om het Hoger-Onderwijs- en Onderzoeks-Plan (HOOP). Daarin presenteert de minister meer selectie als uitgangspunt van zijn beleid. Dat gebeurt echter in combinatie met het beleidsdoel om het aantal 'studentjaren' met 40.000 te verkleinen en zodoende 200 miljoen gulden te bezuinigen op het wetenschappelijk onderwijs. Selectie krijgt daardoor de geur van geld.

De reacties zijn vaak verontrust. De schooldecanen bijvoorbeeld vragen waarom het nodig is de drempel van de universiteit verder te verhogen, juist nu het voortgezet onderwijs bezig is de normen in zijn tweede fase fors op te schroeven.

Moeten we selectie verwerpen? Ik denk van niet, maar dan moet zij wel op een andere manier woren benaderd: niet als doel op zich, maar als een middel om de kwaliteit van het hoger onderwijs voor alle studenten te verbeteren.

Een VWO-diploma moet toegang geven tot universiteit of hogeschool. Het is in ieders belang, ook in dat van de economie, dat wie dat kan hoger onderwijs mag volgen. Bij die vaststelling kunnen we het echter niet laten, want er zijn naar mijn mening twee ontwikkelingen die selectie onvermijdelijk maken.

De eerste ontwikkeling is het overheidsbeleid. Studenten kunnen zich geen verkeerde keuze meer veroorloven. De studiefinanciering stopt straks al na vier jaar hoger onderwijs, dus op het omzwaaien staat een zware boete; hoe later hoe zwaarder. Een universiteit die mensen tegen beter weten in door laat gaan op een doodlopende weg, ontneemt hun de mogelijkheid om alsnog een opleiding, en daarmee een carrièrepad, te kiezen die naar aard en niveau wèl bij hen past. Dit argument geldt vooral voor die studenten, die niet door hun ouders onderhouden kunnen worden.

Het andere argument voor selectie is minder direct, maar daardoor niet minder belangrijk: nationale en internationale ontwikkelingen vergroten de behoefte aan differentiatie binnen het hoger onderwijs, en daarmee de noodzaak van bindende studieadviezen.

In de eerste plaats wordt de samenleving steeds individualistischer: mensen willen hun persoonlijke talenten optimaal ontwikkelen. De enige manier om dat mogelijk is maken is sterker te differentiëren, binnen opleidingen en tussen universiteiten.

In de tweede plaats is er de internationalisering van de arbeidsmarkt. Grote bedrijven zoeken hun nieuwe kader niet meer alleen in hun land van herkomst, dus academici uit verschillende landen moeten met elkaar concurreren. De mondiale academische competitie speelt zich ook af bij de internationale organisaties als de Europese Unie en de Verenigde Naties.

Als Nederland aanspraak wil blijven maken op een positie in de kopgroep van de geïndustrialiseerde wereld, dan moet er een eind komen aan de fictie dat iedere student hetzelfde eindniveau kan en wil behalen.

De afgelopen decennia was confectie feitelijk de norm in het Nederlandse wetenschappelijk onderwijs. Wat moeten we nu doen om onderwijs op maat te bieden door de hele studie heen? Allereerst is er behoefte aan een systeem van meerdere studiepaden: sommige meer wetenschappelijk, andere meer gericht op de arbeidsmarkt. Het grootste deel van de studenten ambieert immers geen onderzoekscarrière. Zij hebben behoefte aan andere kennis, andere vaardigheden en andere onderwijsvormen. Dat geldt met name in de differentiatie- en specialisatiefase van de studie.

Voor de meest getalenteerde en gemotiveerde studenten zullen er speciale voorzieningen moeten zijn, zoals masterclasses. De Rijksuniversiteit Leiden kent die al enkele jaren bij de faculteiten der Letteren en Rechtsgeleerdheid. Ze blijken in een duidelijke behoefte te voorzien: als beloning voor getoonde inzet, maar vooral ook als mogelijkheid tot verdieping van inzicht.

Bij dit alles moet er intensief contact zijn tussen student en docent. Niet alleen om individuele specialisaties tot bloei te laten komen, maar ook omdat de persoonlijke overdracht van attitudes een essentieel element is in de vorming van academici. Aan de universiteit moet een klimaat heersen dat de studenten stimuleert om het beste uit zichzelf en de opleiding te halen.

Zo'n gedifferentieerd stelsel is onmogelijk zonder een optimale begeleiding van de studenten. De toenemende diversiteit vraagt met name een intensivering van voorlichting en verwijzing, en selectie kan daarbij niet worden gemist. De bovengenoemde beperking van de studiefinanciering tot vier jaar maakt aan elke twijfel hierover een eind.

Welke vorm moet die selectie krijgen? Laat er geen misverstanden over bestaan: selectie aan de poort is op dit moment voor geen enkele universiteit een optie, al was het maar omdat het wettelijk niet is toegestaan. Een bindend studieadvies in de propaedeuse is wèl mogelijk, in combinatie met intensievere begeleiding door het jaar heen. De Rijskuniversiteit Leiden beproeft momenteel dit systeem bij drie studies. Uiteraard vereist de uitvoering van zo'n ingrijpende maatregel maximale zorgvuldigheid.

Selectie is noodzaak, maar niet met het doel de studentenaantallen te verminderen. Elke instelling zal haar eigen normen moeten stellen, afhankelijk van de doelstellingen van haar onderwijsbeleid. Selectie zal vooral dienen als middel om studenten op de plek te brengen waar ze hun individuele talenten optimaal kunnen ontplooien.