School als weeshuis voor verwaarloosde kinderen

AMSTERDAM, 3 NOV. Vijf voor acht. Een jongen van een jaar of veertien komt aanrijden op een witte omafiets, een kleuter achterop. “De mazzel, Leroy”, zegt hij. “Ik kom je weer ophalen, hoor.”De jongen stuift in de regen weg en Leroy (5) staat op het uitgestorven schoolplein aan het Leksmondplein in Amsterdam-Zuidoost. Over een half uur begint de school. Eerst gaat hij nog naar de supermarkt op de hoek, met een rijksdaalder voor zijn ontbijt: “Een krentebol en iets heel lekkers.”

Zulke kinderen moet staatssecretaris Netelenbos (onderwijs) hebben bedoeld toen ze gisteren in de Tweede Kamer zei dat in Amsterdam-Zuidoost sommige kinderen ernstig verwaarloosd - “bijvoorbeeld hongerig” - op school komen. “Die kinderen moeten we een beschermd milieu bieden, tot slaapplaatsen aan toe.” Netelenbos had zich het probleem laten influisteren door schooldirecteur J.J.C. de Custer van de Van-Houteschool voor speciaal onderwijs aan het Leksmondplein.Bij toeval. Het damesblad Margriet wilde Netelenbos op de foto en of de schooldirecteur zijn lokaal en wat leerlingen daarvoor wilde uitlenen. Dat kon, had De Custer gezegd, mits hij dan maar een half uurtje de tijd kreeg om haar te vertellen over zijn school. Of de staatssecretaris wel wist dat de problemen van kinderen thuis toenemen? Dat De Custer steeds meer ouders ziet die niet aan de verzorging van hun kind toekomen. Kinderen die zonder eten naar school komen. Kinderen die niet meer gewekt worden omdat moeder drugs moet scoren, staat te gokken of aan het werk is als prostituée. Kinderen die thuis niet gewassen worden. Kinderen die tot tien uur 's avonds buiten rondzwerven.

De directeur heeft naar eigen zeggen “een harde kern van 35” van de 170 leerlingen van vier tot veertien jaar oud op school die het ontbreekt aan de eerste levensbehoeften. “Let wel: ik wil nadrukkelijk zeggen dat het niet voor alle kinderen geldt. Het zijn er ongeveer drie per klas. Bij hen thuis is het thuis op de beesten af. Van verzorging kun je eigenlijk niet meer spreken.”

Leerplichtambtenaar L. Mulder uit Amsterdam Osdorp kent ze ook uit haar praktijk. Twee meisjes die stelselmatig de bekertjes melk van andere kinderen jatten, omdat ze van huis niets te eten of te drinken mee naar school krijgen. Een veertienjarige Marokkaanse jongen die drie maanden alleen thuis wordt gelaten. Vader en moeder gaan naar Marokko en drukken hem zeshonderd gulden in de hand voor hem en zijn twee broers.

Samen met de verantwoordelijke Amsterdamse wethouder Van der Aa en staatssecretaris Terpstra (welzijn) zoekt Netelenbos naar “onconventionele oplossingen” voor dit soort problemen. Zulke kinderen moeten kunnen eten, drinken en desnoods slapen op school.

Het verwijt van Kamerlid Lambrechts (D66), dat het onderwijs geen 'weeshuizen' moet inrichten, wierp ze van zich af. “We moeten de toekomst van die kinderen veilig stellen.”

Pag.3: 'Hele school moet worden ingericht op probleemkind'

Wethouder Van der Aa vindt de suggestie van Netelenbos voor een dergelijke vergaande opvang “verstandig”. Er zijn al scholen die brood kopen omdat de kinderen thuis niets hebben gegeten. En hij kent de problemen nog van zijn eigen school, het Calandlyceum in Osdorp, waar hij tot twee jaar geleden directeur was. “Vroeger had je een aantal probleemkinderen waarvoor je een speciale oplossing zocht. De laatste jaren is dat aantal zo toegenomen dat je je hele school erop moet inrichten. Je moet er een hele begeleiding omheen zetten.” Als niet in de elementaire behoeften wordt voorzien, kun je verder niks met die kinderen op school.

De meeste ouders voeden hun kinderen goed op, onderstreept Van der Aa. Maar het gaat hier om de rest. “Ouders treden terug en de school krijgt dan weer een belangrijker rol in de opvoeding.” De school was altijd al een opvoeder, maar in de jaren zeventig leken de sociale achterstanden weggewerkt. De katholieke volkskinderen, de gereformeerde kleine luyden - ze waren toch allemaal naar een welvaartsniveau gebracht waarop de school alleen nog maar hoefde voort te bouwen. Het onderwijs kon zich geheel en al op de inhoud, op de pedagogiek richten. Dat was de tijd waarin de gratis melk op school werd afgeschaft - elke verstandige ouder gaf thuis toch melk.

Maar in de grote steden zijn de verwaarloosde kinderen weer teruggekomen, aldus Van der Aa. Deels geïmporteerd, deels als resultaat van een 'autonome ontwikkeling'. Over de omvang van het probleem kan Van der Aa geen zinnig woord zeggen. Binnenkort brengt hij met Netelenbos een werkbezoek aan scholen waar het veel voorkomt.

Ze zal misschien ook naar andere steden moeten. De adjunct-directeur van een basisschool in de Haagse Schilderswijk “zou soms wel wensen dat we hier slaapplaatsen hadden”. Er is een tijd geweest dat zijn leerkrachten probleemkinderen bij zich thuis opvingen. “Dat doen we niet meer, de leraren raakten er veel te emotioneel bij betrokken.” Nu worden deze kinderen door de interne leerlingbegeleider verwezen naar diverse hulpverleners. “In onze informatiegids staat ook dat wij ingrijpen als we zien dat kinderen thuis verkeerd worden behandeld. Ook tegen de wil van de ouders in.”

Toch ziet hij ook het gevaar van een internaat-achtige aanpak. “Je bent toch een school, je kunt ook niet te ver gaan.” Directeur H. Winkel van basisschool De Globe in Osdorp is het daar mee eens. “Ik ben huiverig voor een speciale aanpak of een opvangmodel. Als je zo'n mogelijkheid creëert, neem je de ouders te makkelijk hun taak uit handen. Dat is ook voor hun gevoel van eigenwaarde niet zo best, want deze ouders weten vaak zelf wel dat ze hun kind niet goed opvoeden.”

Op de Van-Houteschool is directeur De Custer “razend enthousiast dat Netelenbos extra hulp heeft toegezegd”. Brood en melk, wasmachines en een paar kinderbedjes, hij ziet het al voor zich. Nu nog draait het op zijn school vooral om leren lezen, rekenen en schrijven. Wie wil, kan na schooltijd op school blijven om te judoën, paardrijden, te schaken en ook te koken. De directeur: “De compassie is groot. Als team moeten we af en toe de neiging onderdrukken een kind in huis te nemen. Dat is niet goed. Dan laat je ze even aan een lekkere maaltijd ruiken en schuif je het even later weer weg. Dan maak je de wereld nog valser.”

Bij de ouders thuis komen de leraren maar zelden. “Je denkt toch niet dat ik mijn juffen om half vijf 's middags de hoogbouw instuur met het risico dat ze een mes op de keel krijgen.” Bovendien heeft het lang niet altijd zin, ervaart de directeur, om de ouders aan te spreken. “Dan zet je hun relatie met het kind alleen maar onder druk en vaak staan ze zelf al zo ontzettend onder hoogspanning. Ik spreek kinderen ook aan op hun eigen verantwoordelijkheid. Als ze te laat komen, geef ik ze op hun donder. Als ze niet fris zijn gewassen, idem dito.”

Even voor half negen. Directeur De Custer stapt op een jongetje op het schoolplein af. Hij staat in hemdsmouwen te blauwbekken in de kou, lijkbleek. “Ik ben ziek meester”, zegt hij. De Custer aait hem over zijn bol. “Nee jongen, je moet thuis een jas aan trekken als het koud is.”