Per ongeluk gespietste onderwijzer

Susanna Tamaro: Het hoofd in de wolken (Las testa tra le nuvole). Vert. Rosita Steenbeek. Uitg. De Wereldbibliotheek, 144 blz. ƒ 29,50.

Het werkt wat ontregelend als je van een beroemd auteur eerst het hoofdwerk leest en pas dan het debuut. Van Susanna Tamaro is nu haar eerste boek Het hoofd in de wolken vertaald, een jaar na haar bestseller De stem van je hart.

Hoofdpersoon en verteller van het debuut is Ruben, een eigenzinnig jongetje van een jaar of vijftien met rood stekeltjeshaar en sproetige wangen. Hij wordt door zijn grootmoeder en overgrootmoeder opgevoed in een villa met een parkachtige tuin, waar hij zich overgeeft aan dagdromen. Wanneer hij op een onzalig moment per ongeluk zijn privé-onderwijzer met een speer doodt, vlucht hij in paniek van huis weg. Hij neemt de trein naar Rome, vanwaar hij naar zijn rijke oom in Amerika wil, die hem tot erfgenaam heeft benoemd.

Voor het zover is, beleeft hij het ene avontuur na het andere. Hij begeleidt een blinde vrouw bij het boodschappen doen, traint bij een onderwereldfiguur voor stuntman, wordt 'garçon de chambre' bij een halfbakken baron, onderhoudt de tuin van een Engels-Italiaanse dame en sluit vriendschap met een vliegende archeoloog.

Het hoofd in de wolken is een modern sprookje, een allegorische verbeelding van de jongensdroom. Tamaro, die in haar succesroman met beide benen op de grond staat, geeft hier haar fantasie nog vrij baan. In het boek gebeuren de meest bizarre dingen en de personages zijn stuk voor stuk excentriek, een blinde die naar filmopnamen gaat kijken, een eekhoorn die gesprekken voert met mensen, een piloot die in de lucht op zoek is naar woorden uit het verleden.

Veel innerlijke coherentie heeft het boek niet. De gebeurtenissen komen soms zomaar uit de lucht vallen en vertonen weinig onderlinge samenhang. Mooi is, evenals in De stem van je hart, de manier waarop de natuur in het verhaal is opgenomen. Tamaro heeft een scherp oog en een warme sympathie voor alles wat groeit en ademt. Overal duiken bomen, planten, insekten, stenen en dieren op. Zelfs haar beelden zijn voor het grootste deel aan de natuur ontleend. We lezen over een trein die als een hagedis door het landschap schiet en over een bankbiljet zo groot als een tropische vlinder. Maar dit kan de roman niet helemaal redden. De innerlijke logica van het verhaal is, ook voor een sprookje, te zwak om te overtuigen. Na lezing kun je een licht gevoel van teleurstelling dan ook niet onderdrukken.

Maar voor literaire debutanten kan het een troost zijn te weten dat op een matig begin een topprestatie kan volgen.