Lubbers mag weg, globalisering is mythe

AMSTERDAM, 3 NOV. Is het een ramp voor de wetenschap als de Tilburgse hoogleraar Ruud Lubbers zijn leerstoel 'globalisering' omwisselt voor de functie van secretaris-generaal van de NAVO? Nauwelijks. Want globalisering bestaat in feite niet. Het begrip heeft hoofdzakelijk een functie als pressiemiddel voor bedrijven in de onderhandelingen met hun overheden, en betekent voor iedereen iets anders, al naar gelang het belang dat er mee moet worden gediend. De werkelijke trend in de internationale bedrijfsstrategie is er eerder een van regionalisering.

Dat is de mening van de Rotterdamse wetenschappers Winfried Ruigrok en Rob van Tulder, die de onderhandelingsstrategieën van de honderd grootste multinationale ondernemingen ter wereld, waaronder Shell, Unilever en Philips, onderzochten. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in hun boek The logic of international restructuring.

Hun onderzoek leerde dat de internationalisering van het bedrijfsleven tegenvalt. Slechts veertig procent van de onderzochte ondernemingen haalt meer dan de helft van de omzet uit het buitenland, en minder dan twintig procent heeft meer dan de helft van de investeringen over de grenzen.

Bij buitenlandse activiteiten concentreren ondernemingen zich bovendien sterk op de eigen regio. Onderzoek van het Franse management-instituut INSEAD onder de honderd grootste Europese ondernemingen wees uit dat hun investeringsplannen zich voornamelijk uitstrekten tot Europa zelf. Bovendien was er weinig verschil tussen de lopende plannen voor internationalisering en de internationale spreiding die zij al hadden bereikt. Uit een soortgelijk onderzoek in de VS bleek dat Amerikaanse bedrijven weliswaar spreken van globalisering, maar daar in feite regionalisering mee bedoelen. “Er zijn heel duidelijke regionale patronen te zien in de investeringsstromen”, zegt Ruigrok. “Europese bedrijven zijn dominant in Oost-Europa, Amerikaanse bedrijven in Latijns Amerika en Japanse ondernemingen in Zuidoost-Azië. Regionalisering is een betere manier om te omschrijven wat er aan de hand is dan globalisering.”

Volgens Van Tulder is het voor de meeste bedrijven helemaal niet de bedoeling om te globaliseren. Loonkosten maken zo'n twintig procent uit van de totale produktiekosten, en dat is vaak minder dan de transportkosten zouden zijn wanneer overzee wordt geproduceerd voor de thuismarkt. “Bovendien speelt de factor tijd een rol. Bedrijven moeten steeds sneller inspelen op een wisselende voorkeur van consumenten. Dat gaat eenvoudiger als er dichtbij de markt wordt geproduceerd.

“Globalisering heeft intussen wel zijn nut bewezen als onderhandelingsmiddel van bedrijven tegenover hun nationale overheden. Met verwijzing naar de mogelijkheid te vertrekken naar het buitenland dwingt het bedrijfsleven deregulering en liberalisering af in de eigen thuismarkt”, zegt Van Tulder. “Waarna de reden om te internationaliseren overigens weer een stuk minder wordt.” Niet voor niets waren het Sony en Honda, twee kleinere Japanse concerns die - in tegenstelling tot oude machten als Mitsubishi of Toyota - in eigen land op relatief weinig macht kunnen bogen, die het globaliseringsdebat in Japan op gang probeerden te brengen. Maar als het er op aan komt is vertrekken naar het buitenland geen optie waar bedrijven snel voor zullen kiezen. “Er wordt niet alleen geconcurreerd op zaken als de prijs en de kwaliteit van de produkten, maar ook met de mogelijkheid om de politiek te mobiliseren. Die mogelijkheid, die het grootst is in de thuismarkt, gooi je niet zomaar weg.” De voormalige minister van economische zaken Andriessen organiseerde nog anderhalf jaar geleden een nationaal debat over de globalisering, en Lubbers hield er zijn leerstoel aan over. Juist in kleine open economieën als Nederland speelt globalisering een grote rol in het publieke debat, en ligt het ten grondslag aan het pleidooi voor loonmatiging als internationaal concurrentiemiddel. “In Nederland bestaat een overtrokken beeld van globalisering”, zegt Ruigrok. “Maar intussen concurreren we voornamelijk met onze buurlanden, de Franse en Duitse bedrijven. Internationaal concurrentievermogen gaat niet alleen om het arbeidsloon, het gaat om zaken als kennis, kapitaal, politieke invloed, infrastructuur en de omvang van de thuismarkt.”

Maar Ruigrok en Van Tulder kunnen toch moeilijk ontkennen dat de wereld steeds meer één markt wordt? Dat kan volgens hen zowel voor als tegen globalisering spreken. “De buitenlandse investeringen zijn na de oorlog juist op gang gekomen omdat produkten moeilijk toegang kregen tot buitenlandse markten en er dus een voordeel was om dan maar ter plekke te gaan produceren. Nu de invoertarieven worden afgebroken, kun je net zo goed concluderen dat het bedrijfsleven zijn investeringen beter kan concentreren in een paar landen.” Unilever, dat bezig is met een re-centralisering in de steeds opener Europese markt, is daar een voorbeeld van. Een werkelijk globale markt kan volgens Ruigrok en Van Tulder alleen ontstaan wanneer één, of hooguit een paar bedrijven, die markt beheersen. Alleen bij de naoorlogse olie-industrie is daar even sprake van geweest, totdat nationaliseringen die macht al snel beperkten. “We leven nu in een multi-polaire wereldeconomie”, zegt Van Tulder. “Er is niet langer één economische grootmacht die een wereldwijde handelsliberalisering kan afdwingen, zoals de Verenigde Staten dat konden. Voor de Eerste Wereldoorlog was de internationale vrijheid van handels- en kapitaalstromen veel groter dan nu. De geschiedenis laat zien dat de internationale handelsliberalisering geen onomkeerbaar proces is.”